Helpen probiotica bij notenallergie?

foto bij artikel Helpen probiotica bij notenallergie?

Nieuws onder de loep

Proefmuizen met een notenallergie hebben minder last wanneer ze onschuldige darmbacteriën krijgen toegediend. Onderzoekers hopen nu dat probiotica een antwoord zullen kunnen bieden tegen de steeds frequentere voedselallergieën.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Steeds meer mensen kampen met voedselallergieën. Eén van de verklaringen voor dit oprukkend fenomeen is de zogenaamde hygiënehypothese: omdat zuigelingen met veel minder bacteriën in contact komen (we leven immers veel hygiënischer dan enkele decennia terug), wordt hun afweersysteem minder goed getraind en zijn ze later gevoeliger voor allerhande substanties, pindanootjes bijvoorbeeld. In de Verenigde Staten is pindanotenallergie zeer frequent, omdat er massaal pindaproducten gegeten worden (pindakaas!). Bij ons komt deze allergie minder voor. Amerikaanse onderzoekers wilden nagaan in hoeverre darmbacteriën, die een rol spelen bij de natuurlijke afweer, een voedselallergie kunnen beïnvloeden. Daartoe gebruikten ze proefmuizen met een steriele darm (dus zonder darmbacteriën), proefmuizen waarbij de darmflora werd uitgeschakeld met antibiotica, en als controlegroep proefmuizen met een normale darmflora. Alle drie de groepen kregen pindanootextracten. De groep met steriele darm en de groep waarbij de darmbacteriën werden uitgeschakeld met antibiotica, reageerden allergisch op de pindanoten (te meten in het bloed), terwijl de controlegroep geen allergische symptomen ontwikkelde (1). Vervolgens kregen de muisjes met steriele darm en de antibiotica-muisjes achtereenvolgens bepaalde darmbacteriestammen terug toegediend. Na toediening van de darmbacteriestam ‘Clostridium difficile’ verdwenen de allergische symptomen zowel bij de steriele muisjes als bij de antibiotica-muisjes. De onderzoekers concluderen dat ze bacteriestammen gevonden hebben die muizen beschermen tegen pindanotenallergie.

Bron

Stefka AT, Feehley T, Tripathi T, et al. Commensal bacteria protect against food allergen sensitization. PNAS. Published online August 25 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat natuurlijk om een dierenexperiment wat niet toelaat conclusies te trekken voor mensen. Ook werd enkel pindanotenallergie onderzocht, wat niets zegt over andere voedselallergieën. Toch is dit een verrassend onderzoek dat perspectieven biedt in een onderzoeksdomein: de rol van de darmflora bij voedselallergieën. Ook in België wordt volop onderzoek gedaan naar de impact van de darmflora op allergieën en ook op obesitas, diabetes, kanker en andere ziekten (2). Duizenden Vlamingen werken hieraan mee.

Probiotica zijn levende bacteriën met een gunstig effect op gezondheid. Of probiotica op basis van Clostridium zullen kunnen worden ingezet bij de behandeling van pindanotenallergie, is nog niet duidelijk. Er is meer onderzoek nodig, ook bij mensen en ook met andere voedselallergieën.

Conclusie

Dit onderzoek suggereert dat darmbacteriën (darmflora) een rol spelen in het ontstaan van voedselallergieën. Voor mogelijke therapeutische consequenties is het nog te vroeg.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/08August/Pages/Common-bacteria-could-help-prevent-food-allergies.aspx

(2)www.vlaamsdarmfloraproject.be

klokje bij datum van publicatie verschenen op 27/08/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst
Advertenties

KAMPT VLAANDEREN MET EEN SCHURFTEPIDEMIE?

foto bij artikel Kampt Vlaanderen met een schurftepidemie?

Nieuws onder de loep

Vlaanderen heeft te maken met een schurftepidemie. De ziekte kwam vooral voor tijdens de wereldoorlogen, als gevolg van gebrekkige leefomstandigheden, maar duikt nu terug op.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Schurft is een besmettelijke huidziekte veroorzaakt door een parasiet: de schurftmijt of scabies. Enkele huidspecialisten uit het Gentse trokken aan de alarmbel, omdat ze meer schurft vaststellen bij patiënten.

In verschillende scholen, rusthuizen en zelfs ziekenhuizen werden schurftmijten aangetroffen.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Schurft (scabies) behoorde tot januari 2009 tot de infectieziektes die verplicht moesten worden aangegeven aan de afdeling ‘toezicht volksgezondheid’. Vandaag hoeft dat niet meer. We kunnen vandaag onmogelijk met zekerheid zeggen of er al dan niet een ernstige toename is van schurft. Tussen 2006 en 2009 werden er in Vlaanderen jaarlijks tussen 200 en 250 gevallen gemeld. Er was zeker geen stijgende lijn ten opzicht van voorgaande jaren. Zelfs toen er verplicht werd geregistreerd, was er waarschijnlijk een veel grotere aanwezigheid van schurft. We konden toen dus spreken van een onderrapportering.

Zoals vandaag hebben we de voorbije 10 jaar wel vaker nieuwsberichten gehad waar een opstoot van schurft werd gemeld. Meestal gaat het over vrij lokale opstoten (clusters) die soms wel en soms niet het nieuws halen. Er is vandaag waarschijnlijk niet meer aan de hand, en er is geen indicatie dat er nu een toename is van het aantal schurftgevallen.

Zoals uit de berichtgeving blijkt, komt schurft vaker voor in gemeenschappen waar mensen dicht bij elkaar leven. Voor de overdracht van de schurftmijt (Sarcoptes scabiei var hominis) is er immers langdurig huidcontact nodig: 15 minuten wordt meestal aangenomen. Men kan ook besmet raken door in een bed te slapen met iemand die aan schurft lijdt, of waarin deze persoon kort ervoor geslapen heeft. Zijn kleren dragen kan ook besmetting veroorzaken. Na 3 dagen op kamertemperatuur geleefd te hebben, zijn de mijten te verzwakt om nog besmettelijk te zijn.

De schurftmijt kruipt net onder de huid in een gangetje dat 1,5 cm lang kan worden. Mensen die schurft oplopen, krijgen heel veel jeuk, meestal over het hele lichaam en niet alleen op de plaats waar een schurftmijt zich bevindt. Het is een veralgemeende reactie op de uitwerpselen en andere stoffen die op de schurftmijt voorkomen. De ziekte is vrij moeilijk te herkennen, want meestal is hardnekkige jeuk de enige klacht. De gangetjes zijn nauwelijks zichtbaar en dus moeilijk op te sporen. Als iemand erge jeuk heeft met krabletsels, zal een arts vaak een proeftherapie instellen om de schurftmijt te doden. Dit lukt bijna altijd met een zalf (Zalvor) waarmee je je van de kin tot de tenen insmeert. Je brengt het best ’s avonds aan en ’s morgens neem je een douche om de laatste mijten af te spoelen.

De moeilijkheid is vaak dat in een instelling verschillende mensen de ziekte tegelijk hebben, soms zonder klachten, en zo blijft de schurftmijt rondjes draaien van de ene mens op de andere. Het is dus heel belangrijk dat, wanneer iemand schurft heeft, alle contactpersonen gelijktijdig worden behandeld (binnen een tijdspanne van 24 uur). De reden dat schurft niet goed kan worden uitgeroeid heeft vooral daar mee te maken.

De grootste risicogroepen zijn dus min of meer gesloten gemeenschappen, maar ook reizigers en mensen met wisselende seksuele contacten. Vaak wordt schurft beschouwd als een gebrek aan hygiëne. Vandaag kunnen we echter stellen dat mensen van alle sociale klassen, rassen en leeftijden de aandoening kunnen krijgen. Slechte hygiëne kan de besmetting bevorderen omdat het de kans groter maakt dat de mijt zich kan innestelen in de huid, maar is zeker geen voorwaarde om het te krijgen.

In elke provincie is er ‘Team infectiebestrijding en vaccinatie’ van het Agentschap Zorg en Gezondheid dat heel wat ervaring heeft opgebouwd rond professionele bestrijding van schurft. De ziekte overstijgt immers vaak de actieradius van een huidarts of huisarts. Daarom is het nuttig om de expertise van deze teams te gebruiken om een haard van schurft grondig aan te pakken om verdere verspreiding tegen te gaan.

Conclusie

Er zijn geen aanwijzingen dat schurft vandaag meer voorkomt dan de voorbije jaren. Het kan bij iedereen voorkomen van alle rang en stand. Schurft komt evenwel vaker voor in bepaalde risicogroepen: reizigers, personen met wisselende seksuele contacten, personeel en bewoners van (zorg)instellingen, dak- en thuislozen. Het is een ongevaarlijke maar vervelende ziekte. Het is belangrijk dat niet alleen de zieke maar ook de contactpersonen gelijktijdig worden behandeld.

Referenties

De folder ‘Scabies of schurft…Wat nu?’ kan je vinden op onderstaand adres.

http://www.zorg-en-gezondheid.be/uploadedFiles/NLsite_v2/Ziekten/Ziekten_A-Z/Collectieve_scabies/Folder_Scabi%C3%ABs_ned_221206.pdf?n=6150

Een uitstekende richtlijn waar het grootste deel van onze informatie op gebaseerd is, komt van het Agentschap Zorg en Gezondheid via de link (eenmaal op de pagina druk op ‘scabies’):

http://www.zorg-en-gezondheid.be/richtlijneninfectieziektebestrijding/

klokje bij datum van publicatie verschenen op 17/12/2013 | Cebam | geschreven door Patrik Vankrunkelsven

KAMPT VLAANDEREN MET EEN SCHURFTEPIDEMIE?

foto bij artikel Kampt Vlaanderen met een schurftepidemie?

Nieuws onder de loep

Vlaanderen heeft te maken met een schurftepidemie. De ziekte kwam vooral voor tijdens de wereldoorlogen, als gevolg van gebrekkige leefomstandigheden, maar duikt nu terug op.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Schurft is een besmettelijke huidziekte veroorzaakt door een parasiet: de schurftmijt of scabies. Enkele huidspecialisten uit het Gentse trokken aan de alarmbel, omdat ze meer schurft vaststellen bij patiënten.

In verschillende scholen, rusthuizen en zelfs ziekenhuizen werden schurftmijten aangetroffen.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Schurft (scabies) behoorde tot januari 2009 tot de infectieziektes die verplicht moesten worden aangegeven aan de afdeling ‘toezicht volksgezondheid’. Vandaag hoeft dat niet meer. We kunnen vandaag onmogelijk met zekerheid zeggen of er al dan niet een ernstige toename is van schurft. Tussen 2006 en 2009 werden er in Vlaanderen jaarlijks tussen 200 en 250 gevallen gemeld. Er was zeker geen stijgende lijn ten opzicht van voorgaande jaren. Zelfs toen er verplicht werd geregistreerd, was er waarschijnlijk een veel grotere aanwezigheid van schurft. We konden toen dus spreken van een onderrapportering.

Zoals vandaag hebben we de voorbije 10 jaar wel vaker nieuwsberichten gehad waar een opstoot van schurft werd gemeld. Meestal gaat het over vrij lokale opstoten (clusters) die soms wel en soms niet het nieuws halen. Er is vandaag waarschijnlijk niet meer aan de hand, en er is geen indicatie dat er nu een toename is van het aantal schurftgevallen.

Zoals uit de berichtgeving blijkt, komt schurft vaker voor in gemeenschappen waar mensen dicht bij elkaar leven. Voor de overdracht van de schurftmijt (Sarcoptes scabiei var hominis) is er immers langdurig huidcontact nodig: 15 minuten wordt meestal aangenomen. Men kan ook besmet raken door in een bed te slapen met iemand die aan schurft lijdt, of waarin deze persoon kort ervoor geslapen heeft. Zijn kleren dragen kan ook besmetting veroorzaken. Na 3 dagen op kamertemperatuur geleefd te hebben, zijn de mijten te verzwakt om nog besmettelijk te zijn.

De schurftmijt kruipt net onder de huid in een gangetje dat 1,5 cm lang kan worden. Mensen die schurft oplopen, krijgen heel veel jeuk, meestal over het hele lichaam en niet alleen op de plaats waar een schurftmijt zich bevindt. Het is een veralgemeende reactie op de uitwerpselen en andere stoffen die op de schurftmijt voorkomen. De ziekte is vrij moeilijk te herkennen, want meestal is hardnekkige jeuk de enige klacht. De gangetjes zijn nauwelijks zichtbaar en dus moeilijk op te sporen. Als iemand erge jeuk heeft met krabletsels, zal een arts vaak een proeftherapie instellen om de schurftmijt te doden. Dit lukt bijna altijd met een zalf (Zalvor) waarmee je je van de kin tot de tenen insmeert. Je brengt het best ’s avonds aan en ’s morgens neem je een douche om de laatste mijten af te spoelen.

De moeilijkheid is vaak dat in een instelling verschillende mensen de ziekte tegelijk hebben, soms zonder klachten, en zo blijft de schurftmijt rondjes draaien van de ene mens op de andere. Het is dus heel belangrijk dat, wanneer iemand schurft heeft, alle contactpersonen gelijktijdig worden behandeld (binnen een tijdspanne van 24 uur). De reden dat schurft niet goed kan worden uitgeroeid heeft vooral daar mee te maken.

De grootste risicogroepen zijn dus min of meer gesloten gemeenschappen, maar ook reizigers en mensen met wisselende seksuele contacten. Vaak wordt schurft beschouwd als een gebrek aan hygiëne. Vandaag kunnen we echter stellen dat mensen van alle sociale klassen, rassen en leeftijden de aandoening kunnen krijgen. Slechte hygiëne kan de besmetting bevorderen omdat het de kans groter maakt dat de mijt zich kan innestelen in de huid, maar is zeker geen voorwaarde om het te krijgen.

In elke provincie is er ‘Team infectiebestrijding en vaccinatie’ van het Agentschap Zorg en Gezondheid dat heel wat ervaring heeft opgebouwd rond professionele bestrijding van schurft. De ziekte overstijgt immers vaak de actieradius van een huidarts of huisarts. Daarom is het nuttig om de expertise van deze teams te gebruiken om een haard van schurft grondig aan te pakken om verdere verspreiding tegen te gaan.

Conclusie

Er zijn geen aanwijzingen dat schurft vandaag meer voorkomt dan de voorbije jaren. Het kan bij iedereen voorkomen van alle rang en stand. Schurft komt evenwel vaker voor in bepaalde risicogroepen: reizigers, personen met wisselende seksuele contacten, personeel en bewoners van (zorg)instellingen, dak- en thuislozen. Het is een ongevaarlijke maar vervelende ziekte. Het is belangrijk dat niet alleen de zieke maar ook de contactpersonen gelijktijdig worden behandeld.

Referenties

De folder ‘Scabies of schurft…Wat nu?’ kan je vinden op onderstaand adres.

http://www.zorg-en-gezondheid.be/uploadedFiles/NLsite_v2/Ziekten/Ziekten_A-Z/Collectieve_scabies/Folder_Scabi%C3%ABs_ned_221206.pdf?n=6150

Een uitstekende richtlijn waar het grootste deel van onze informatie op gebaseerd is, komt van het Agentschap Zorg en Gezondheid via de link (eenmaal op de pagina druk op ‘scabies’):

http://www.zorg-en-gezondheid.be/richtlijneninfectieziektebestrijding/

klokje bij datum van publicatie verschenen op 17/12/2013 | Cebam | geschreven door Patrik Vankrunkelsven

SLA EN WORTELTJES VOOR BETER SPERMA?

foto bij artikel Sla en worteltjes voor beter sperma?

Nieuws onder de loep

Wortelen, sla, tomaten en spinazie eten verbetert de spermakwaliteit. Volgens nieuw onderzoek hebben de groenten een impact op de beweeglijkheid van zaadcellen.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Dit nieuws is gebaseerd op een Amerikaanse studie (1) bij 194 jonge mannen van gemiddeld 19 jaar. Aan het begin van de studie werd hen gevraagd om een vragenlijst over hun voeding in te vullen, en een spermastaal te produceren voor analyse. Op basis hiervan gingen de onderzoekers na of er een verband bestaat tussen het eten van bepaalde groenten (die bètacaroteen, luteïne en lycopeen bevatten) en een betere spermakwaliteit (beweeglijkheid en vorm van de zaadcellen). Bètacaroteen, luteïne en lycopene (antioxidanten) vindt men in wortelen, sla, spinazie en tomaten. Het sperma van mannen die meer van deze groenten aten, bleek beweeglijker (bereikt dus sneller de eicel) en had een betere vorm (kans op bevruchting is groter).

Bron

(1) Zareba P, Colaci DS, Afeiche M, et al. Semen quality in relation to antioxidant intake in a healthy male population. Fertility and Sterility. Published online October 2 2013

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Deze studie beschrijft een klein verband tussen een hogere inname van bètacaroteen, luteïne en een grotere beweeglijkheid van de zaadcellen enerzijds, en een hogere inname van lycopeen en meer goed gevormde zaadcellen anderzijds.

De media leggen vooral de nadruk op wortelen als heilzaam voor de kwaliteit van sperma, terwijl de studie ook een positief verband zag met andere groenten zoals sla, spinazie en tomaten. Bovendien vergeten de media er bij te vertellen dat dit soort studie (qua opzet) – de onderzoekers zeggen dit trouwens zelf – niet in staat is om een oorzakelijk verband aan te tonen tussen het eten van deze groenten en beter sperma. Hiervoor is een andere (gerandomiseerde en gecontroleerde) studieopzet nodig. Het is echter niet haalbaar noch ethisch verantwoord om een grote groep mannen te verdelen in verschillende dieetgroepen en die gedurende maanden of jaren te volgen om na te gaan welk effect elk van deze diëten heeft op de kwaliteit van hun sperma.

Uit de resultaten van deze studie kunnen we niet opmaken of meer van deze groenten eten een effect heeft op de vruchtbaarheid. Andere beperkingen van de studie zijn het feit dat de voedingsinname door de mannen zelf werd gerapporteerd, wat niet noodzakelijk een juiste weergave is van de realiteit. Het verband tussen kwaliteit van sperma en voedingsgebonden factoren kan overigens vertekend zijn door andere factoren zoals andere ingrediënten of leefstijlfactoren.

De studie werd uitgevoerd bij een kleine groep mannen (slechts 189) van gemiddeld 19 jaar zonder fertiliteitsproblemen en afkomstig uit een bepaalde regio in de Verenigde Staten. We weten dus niet of we dezelfde verbanden zouden zien bij oudere mannen of mannen met vruchtbaarheidsproblemen. We weten evenmin of de verschillen in spermakwaliteit zouden kunnen geleid hebben tot een snellere bevruchting.

Conclusie

Deze studie zag een beperkt verband tussen het eten van wortelen (spinazie, sla en tomaten) en beter sperma. Er is een andere (moeilijk haalbare) studieopzet nodig om dit te kunnen bewijzen. Veel fruit en groenten eten is hoe dan ook gezond.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2013/10October/Pages/Carrots-and-lettuce-linked-to-better-sperm-quality.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 08/11/2013 | Cebam | bewerkt door Martine Goossens

IS HET Y-CHROMOSOOM OVERBODIG?

foto bij artikel Is het Y-chromosoom overbodig?

Nieuws onder de loep

Het Y-chromosoom dat mannen mannelijk maakt, draagt weinig bij. Genetische gemanipuleerde muizen, zonder Y-chromosoom, kunnen via in vitro fertilisatie zelfs nog zorgen voor gezond nageslacht.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Chromosoomgewijs staat XX voor vrouwelijk en XY voor mannelijk. Onderzoekers van de Universiteit van Hawaii wilden nagaan welke genen van het Y-chromosoom instaan voor de spermaproductie (1). Bedoeling is om kennis te vergaren over de vorming van spermacellen, teneinde in een later stadium een therapie te kunnen ontwikkelen voor mannen met vruchtbaarheidsproblemen als gevolg van gebrekkige zaadcellen. In dit experiment werden proefmuizen genetisch gemanipuleerd. De onderzoekers ontwikkelden diertjes die hun Y-chromosoom missen. Deze zogenaamde XO-muizen kregen vervolgens ontbrekende genen opnieuw toegevoegd om de spermaproductie op gang te brengen. Twee genen gelokaliseerd op het Y-chromosoom werden toegevoegd: één gen dat instaat voor de vorming van teelballen en één dat de spermaproductie op gang brengt.

Beide toevoegingen bleken voldoende om de XO-muizen in staat te stellen zaadcellen te produceren. Deze hadden wel een gebrekkige vorm, waardoor ze een beetje hulp konden gebruiken bij de bevruchting. De verkregen zaadcellen werden geïnjecteerd in muizeneicellen, door middel van een bekende in vitro fertilisatietechniek (ICSI). De bevruchte eitjes werden in de baarmoeder van draagmuisjes geplaatst en groeiden uit een gezond en vruchtbaar nageslacht.

Bron

(1) Two gene scan replace the entire Y chromosome for assisted reproduction in the mouse. Science 2013, online 21 Nov.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Om te kunnen zorgen voor nageslacht bij muizen volstaan, althans wat de mannelijke bijdrage betreft, twee genen van het Y-chromosoom, op voorwaarde dat de verkregen zaadcellen met hulp van buitenaf (injectie) in een eicel geïnjecteerd worden. De onderzoekers hebben twee genen geïdentificeerd die een cruciale rol spelen in de voortplanting bij mannelijke muizen.

Conclusie

Deze resultaten vergroten de kennis over reproductieve biologie bij muizen, maar geven helemaal geen informatie over de mens, laat staan over de relevantie van het Y-chromosoom in het algemeen. Bij mannen zouden zelfs andere genen een rol spelen bij de voortplanting dan beide betrokken genen bij muizen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2013/November/Pages/Study-casts-doubt-on-the-need-for-a-Y-chromosome.aspx

 verschenen op 20/08/2013 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

BEÏNVLOEDEN EETGEWOONTEN VAN TOEKOMSTIGE VADERS DE GEZONDHEID VAN HUN KIND?

foto bij artikel Beïnvloeden eetgewoonten van toekomstige vaders de gezondheid van hun kind?

Nieuws onder de loep

Ongezonde eetgewoonten van mannen voor de bevruchting verhoogt het risico op chronische ziekten bij hun kinderen. Wanneer een koppel een kinderwens heeft, moeten beide partners veel groene groenten eten.

Waar komt dit nieuws vandaan?

De Canadese studie waarop dit bericht gebaseerd is, werd bij muizen uitgevoerd, en niet bij mensen (1). De onderzoekers wilden de theorie testen dat genetisch materiaal, dus ook dat wat doorgegeven wordt via spermacellen, beïnvloed wordt door voedingsgewoonten. Het zou gaan om kleine chemische wijzigingen aan het DNA met grote gevolgen. Deze theorie behoort tot het domein van de epigenetica, een snel groeiend onderzoeksveld dat de impact van voeding op de structuur van het DNA bestudeert.

Vrouwen die zwanger willen worden en vrouwen in het eerste zwangerschapstrimester krijgen de raad om extra foliumzuur in te nemen. Voldoende foliumzuur, vooral aanwezig in groene bladgroenten, vermindert het risico op open ruggetje (spina bifida) bij het kind. Om zeker te zijn dat vrouwen voldoende foliumzuur binnen krijgen, worden extra supplementen aanbevolen in de zwangerschap. In dit onderzoek wilde men nagaan of dergelijk verband ook voor mannen opgaat, althans voor mannelijke proefmuizen. De muizen werden in twee groepen verdeeld: de ene groep kreeg voldoende foliumzuur en bij de andere groep zorgden de onderzoekers voor een tekort. De vrouwelijke muizen die door de proefmuizen met foliumzuurtekort bevrucht werden, hadden opmerkelijk meer abnormaal nageslacht in vergelijking met het nageslacht van de muizen die voldoende foliumzuur gekregen hadden: 27 procent afwijkingen tegenover 3 procent. De afwijkingen bij de muisjes met een vadermuis met foliumzuurtekort waren ernstig: misvormingen van kopje, ledematen of lijfje, terwijl de muisjes met gezonde vaders veel minder en eerder lichte mankementen vertoonden, zoals een abnormale huidverkleuring.

De onderzoekers besluiten dat een tekort aan foliumzuur het genetisch materiaal van mannetjesmuizen aantast, met meer afwijkingen bij het nageslacht als gevolg. Ze schrijven ook dat epigenetische wijzigingen aan de basis kunnen liggen van chronische aandoeningen.

Bron

(1) Lambort R, Xu C, Saint-Phar S, et al. Low paternal dietary folate alters the mouse sperm epigenome and is associated with negative pregnancy outcomes. Nature Communications. Published online December 10 2013.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om een laboratoriumonderzoek bij muizen, niet bij mensen. Mensen en muizen hebben heel wat genetisch materiaal gemeen, maar er zijn ook belangrijke verschillen. Wat wordt aangetoond in muizen, kan je dus niet zo maar doortrekken naar mensen. De proefmuizen hadden bovendien hun hele leven lang ernstige foliumzuurtekorten die geïnduceerd werden door de onderzoekers.

Dat vergelijken met een groentearm dieet ligt evenmin voor de hand. Ten slotte is het verband tussen genetische afwijkingen in het sperma-DNA van de muisjes enerzijds en de chronische aandoeningen op latere leeftijd anderzijds, hier niet hard gemaakt, maar wordt dit enkel gesuggereerd.

Conclusie

De invloed van eetgewoonten op het genetisch materiaal is een boeiend onderzoeksdomein. Dit onderzoek toont aan dat foliumzuurtekort bij mannelijke proefmuizen leidt tot meer afwijkingen bij het nageslacht. Of dit ook voor mensen geldt, is hier niet aangetoond.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2013/12December/Pages/Dads-diet-may-impact-on-offsprings-future-health.aspx

 verschenen op 18/08/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

VERLAAGT OLIE OP SLA DE BLOEDDRUK?

 

foto bij artikel Verlaagt olie op sla de bloeddruk?

Nieuws onder de loep

Onderzoekers ontdekken waarom het Mediterraan dieet zo heilzaam is. De combinatie olijfolie met groene groenten zou bloeddrukverlagend werken.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Britse en Amerikaanse onderzoekers deden een reeks experimenten bij muizen waarbij de impact van zogenaamde nitrovetzuren werd nagegaan: dit zijn substanties die ontstaan wanneer bepaalde voedingsproducten gecombineerd worden. Enerzijds vettige substanties uit olijfolie of vis en anderzijds nitrieten en nitraten uit overwegend groene groenten, zoals sla. Deze nieuwe gevormde nitrovetzuren blijken een enzyme (epoxide hydrolase) te blokkeren en door deze blokkade wordt een cascade in gang gezet die leidt tot verlaging van de bloeddruk. Voor deze studie werd een groep muizen genetisch gemodifieerd door de receptor die de binding van nitrovetzuren op dit enzyme uit te schakelen. Daarnaast hadden de onderzoekers een groep normale muisjes ter controle. Alle muisjes kregen een hormoon dat de bloeddruk verhoogt. Vervolgens kregen ze nitrovetzuren. Bij de normale muisjes zakte daardoor de bloeddruk, maar bij de genetische gemodifieerde muisjes niet. Dat wijst erop dat blokkade van het enzyme oorzaak is van de bloeddrukverlaging. In een ander experiment werden de proefdieren gevoed met voer dat substanties bevat die in combinatie nitrovetzuren genereren, dus iets wat je kan vergelijken met het Mediterraan dieet. Bij de normale muisjes deed dat de bloeddruk zakken, in de genetisch gemodifieerde groep niet. De onderzoekers concludeerden dat nitrovetzuren een bloeddrukverlagend effect hebben door een bepaald enzyme te blokkeren. Nitrovetzuren worden onder andere gevormd door voedingsmiddelen als olie of vis te combineren met groene bladgroenten.

Bron

(1) Charles RL, Rudyk O, Prysyazhna O, et al. Protection from hypertension in mice by the Mediterranean diet is mediated by nitro fatty acid inhibition of soluble epoxide hydrolase. PNAS. Published online May 19 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om dierexperimenten en dit betekent niet noodzakelijk dat dezelfde effecten ook bij de mens voorkomen. Dergelijke experimenten zijn wel noodzakelijk vooraleer het effect van het Mediterraan dieet op de bloeddruk bij mensen kan onderzocht worden. Dat het Mediterraan dieet (2) gezond is voor het hart, bleek eerder al uit onderzoek. De mechanismen die dit gunstige effect kunnen verklaren, worden tot op vandaag onder andere toegeschreven aan de onverzadigde vetzuren en de matige alcoholconsumptie. Het is best mogelijk dat de vorming van zogenaamde nitrovetzuren, bijvoorbeeld uit de combinatie sla met olijfolie, een bijkomende verklaring biedt. Het biedt een extra argument dat de gezondheid van dit voedingspatroon op hart en bloedvaten kan verklaren.

Conclusie

Deze studie suggereert dat de combinatie van olie of vis met groene bladgroenten, typische ingrediënten van het Mediterraan dieet, stoffen genereert die bloeddrukverlagend werken. Dat geldt althans bij proefdieren.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/05May/Pages/Study-discovers-secret-of-the-Mediterranean-diet.aspx

(2)Praktische info over het Mediterraan dieet: http://www.nice-info.be/nl/weetjes-en-feiten?articleID=184

 verschenen op 27/05/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst