Werken crashdiëten dan toch?

foto bij artikel Werken crashdiëten dan toch?

Nieuws onder de loep

Wie wil afvallen, krijgt meestal te horen dat een crashdieet niet de oplossing is. De kilo’s die je verliest, zouden er immers veel sneller weer bij komen. Volgens een nieuw onderzoek blijkt net dat best mee te vallen.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Mensen die willen vermageren, krijgen over het algemeen de raad om dat langzaam te doen: niet meer dan 0,5 kg per week. Crashdiëten, waarbij je in korte tijd veel afvalt, zouden niet gezond zijn en bovendien zou je de verloren kilo’s snel weer bijwinnen.

Een Australische onderzoeksgroep zocht het uit door 200 obese, maar voor het overige gezonde volwassenen in te delen in 2 groepen: de ene groep volgde gedurende 12 weken een crashdieet (doel: 1,5 kg per week verliezen), de andere volgde gedurende 36 weken een dieet waarbij ze 0,5 kg per week zouden afvallen. Van de groep die het crashdieet volgde, bereikte 81% het vooropgestelde doel, tegenover slechts 50% van de mensen die het langdurige, maar minder strenge dieet volgden.

Na de dieetperiode werden alle proefpersonen gedurende 3 jaar opgevolgd, waarbij ze op regelmatige tijdstippen bij de diëtist langsgingen en de raad kregen een half uur per dag matig intensief te bewegen. Helaas bereikte 71% van alle deelnemers, zowel uit de crashdieetgroep als uit de andere dieetgroep, na drie jaar opnieuw het oorspronkelijke gewicht.

De onderzoekers besluiten dat je met een crashdieet niet sneller of meer aankomt dan na een langzaam afslankproces. Met andere woorden; het zou niet uitmaken of je snel of traag afvalt. De kans dat de kilo’s op termijn terugkomen blijft dezelfde.

Bron

(1) Purcell K, Sumithran P, Prendergast LA, et al. The effect of rate of weight loss on long-term weight management: a randomised controlled trial. The Lancet Diabetes & Endocrinology. Published online October 16 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De onderzoekers brengen een wereldwijde stelling uit de dieetwereld aan het wankelen, namelijk dat crashdiëten te mijden zijn, omdat je zeer snel opnieuw zou bijkomen. Dat blijkt in deze studie niet het geval. Dat zwaarlijvige mensen makkelijker afvallen met een crashdieet dan met een gewoon dieet, heeft mogelijk te maken met de kortere tijdsspanne en de eenvoud: bij het crashdieet worden maaltijden vervangen door papjes met weinig calorieën die je wel verzadigen. De maaltijdvervanger die gebruikt werd in dit onderzoek was Optifast van Nestlé en een van de hoofdonderzoekers blijkt een vroegere werknemer bij Optifast. Dat doet enigszins de wenkbrauwen fronsen, al stelt Nestlé dat ze geen invloed uitoefende op de studie.

Er zijn nog een paar kanttekeningen: er werd niet onderzocht of het wel gezond is om snel veel kilo’s af te vallen, een andere reden waarom diëtisten waarschuwen voor crashdiëten. Voor deze studie werden enkel gezonde zwaarlijvigen aangesproken. Of crashdiëten veilig zijn voor mensen met obesitas en diabetes type 2 of metaboolsyndroom bijvoorbeeld, is niet bekend.

Het resultaat op lange termijn blijft echter hetzelfde: de meerderheid komt weer aan en wordt even zwaar als voorheen.

Conclusie

Deze studie toont dat zwaarlijvige mensen na een crashdieet niet sneller aankomen in gewicht dan mensen die langzaam afvallen. Of je nu snel of traag afvalt, op termijn komt het gewicht meestal terug.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/10October/Pages/Crash-diets-can-work-claim.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 21/10/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst
Advertenties

Slaapmedicatie (benzodiazepines): afhankelijkheid en ontwenning

Wat is het? 

Men schrijft benzodiazepines vaak voor als kalmeermiddel of als slaapmiddel. Met deze geneesmiddelen loop je echter een groot risico om ervan afhankelijk te worden. Bij langdurig gebruik van benzodiazepines word je tolerant aan het geneesmiddel. Daardoor vermindert geleidelijk aan de werkzaamheid van het product, en heb je bijgevolg hogere dosissen nodig om hetzelfde effect te bekomen. Afhankelijkheid kan zelfs optreden bij normale lage dosissen. Dit komt vooral voor bij oudere personen of bij mensen die langdurige zorg krijgen.
Bij stopzetting van benzodiazepines kunnen ontwenningsverschijnselen optreden: herval of voorbijgaande verergering van de oorspronkelijke klacht waarvoor het product werd voorgeschreven (bvb. angst) of echte ontwenningsverschijnselen. Deze zorgen er vaak voor dat de afhankelijke persoon meer van het product gaat innemen, ondanks de zwaardere bijwerkingen ervan.

Hoe vaak komt het voor? 

In België zou 1 op de 10 personen langdurig benzodiazepines in normale dosis nemen. Naar schatting is de helft van hen onbedoeld afhankelijk. De grootste groep van langdurige gebruikers zijn enerzijds thuiswonende ouderen (vooral vrouwen) die benzodiazepines nemen om goed te slapen, en anderzijds rusthuisbewoners en psychiatrische patiënten. Een kleine groep benzodiazepinegebruikers neemt op eigen initiatief steeds hogere dosissen. Om voorschriften te verkrijgen, schuimen ze vaak verschillende artsen en ziekenhuizen af. Een derde en steeds groter wordende groep zijn mensen die benzodiazepines als drug gebruiken. In de westerse wereld zou het gaan om 3 tot 4 op duizend personen. Vaak gebruiken ze bovendien meerdere drugs. De dosissen die zij nemen, zijn meestal zeer hoog.

Hoe kun je het herkennen? 

Je bent afhankelijk (verslaafd) aan benzodiazepines als je:
– steeds meer product nodig hebt om rustig te blijven of om in te slapen;
– heel veel moeite doet om aan het middel te geraken;
– als je voortdurend aan het middel denkt;
– al eens tegen je arts gelogen hebt om een extra voorschrift te bekomen;
– meerdere artsen raadpleegt om aan een voorschrift te geraken;
– al geprobeerd hebt om de dosis te verminderen, maar dat dit niet lukte omdat je opnieuw meer angst of slaapstoornissen kreeg;
– wanneer je een dosis overslaat of stopt, last krijgt van één of meer van de volgende klachten: angst, prikkelbaarheid, terugkerende dwanggedachten, slapeloosheid, een verstoord slaap-waakpatroon, vermoeidheid overdag, een versnelde hartslag (meer dan 110 per minuut), hoge bloeddruk, spierspanningen, beven, abnormale spierbewegingen, onrust, opgewondenheid, spierpijnen, gewrichtspijnen, misselijkheid, verstopte neus, zweten, oorsuizen, aanvallen van stuipen, stoornissen in de waarneming, wazig zien, hallucinaties.

Hoe stelt je arts de aandoening vast? 

Je arts zal je vragen stellen in verband met de duur en de dosissen die je gebruikt. Hij zal nagaan of je andere middelen neemt die inwerken op de hersenen, en vragen of je last hebt van ontwenningsverschijnselen. Hij zal ook vragen of je in het verleden al eerder verslaafd bent geweest aan andere middelen (welke middelen, hoe vaak ben je hervallen, ben je er in geslaagd om definitief te stoppen, hoe lang heb je geen middelen ingenomen?). Ten slotte zal hij informeren naar alle zorgverleners die je al behandeld hebben of die je het product hebben voorgeschreven. Het is immers heel belangrijk dat slechts een arts de behandeling van afhankelijkheid opvolgt.
Je wordt doorverwezen naar een specialist, gespecialiseerd centrum of naar een gespecialiseerd ziekenhuis voor een opname in geval:
– je een bijkomende psychiatrische aandoening hebt die extra zorg vereist;
– je hoge dosissen inneemt;
– je pogingen om het gebruik te stoppen herhaaldelijk hebben gefaald;
– je verslaafd bent aan verschillende middelen tegelijkertijd (geneesmiddelen, illegale drugs of alcohol);
– je ernstige bijkomende lichamelijke aandoeningen hebt;
– je andere geneesmiddelen gebruikt die eveneens de werking van de hersenen onderdrukken;
– je stuipen hebt gehad of een andere aandoening van het zenuwstelsel die door benzodiazepines zouden kunnen behandeld worden.

Wat kun je zelf doen? 

Houd je aan de afgesproken dosis. Als de voorgeschreven dosis van het product niet meer werkt, ga dan niet naar verschillende artsen om meer product te bekomen, maar houd je aan één arts. Zeg tegen hem dat het product minder werkt. Hij zal dan een ander product voorschrijven, een andere therapievorm aanbevelen of je doorverwijzen naar een specialist.
Spreek samen met hem van bij de start van de behandeling al een datum af wanneer je het product zult stoppen, en hoe je dat wil aanpakken.
Bespreek bij het eerste voorschrift met hem de mogelijke alternatieve behandelingen, de mogelijke bijwerkingen en de gevaren van het product.
Wees steeds eerlijk tegen je arts over je gebruik van geneesmiddelen en alcohol. Benzodiazepines en alcohol kunnen een gevaarlijke cocktail vormen.
Als je verslaafd bent aan illegale drugs, of er sporadisch andere gebruikt (bijvoorbeeld marihuana), zeg dit dan aan je arts.
Gebruik geen kalmeer- of slaapmiddelen die je van buren, vrienden of familieleden krijgt.
Wanneer je vroeger al verslaafd was aan of afhankelijk van geneesmiddelen, alcohol of andere drugs, moet je arts dit weten.
Wanneer je arts een afhankelijkheidsprobleem vermoedt of vaststelt, wees dan eerlijk en verleen je volle medewerking aan de behandeling.
Stop nooit op eigen houtje plots de inname van benzodiazepines. De ontwenningsverschijnselen kunnen immers ernstig zijn (bijvoorbeeld ernstige stuipen). Het afbouwen van benzodiazepines moet langzaam gebeuren.

Wat kan je arts doen? 

Afhankelijkheid voorkomen
Bij het opstarten van een benzodiazepinebehandeling zal je arts maatregelen nemen om afhankelijkheid te voorkomen:
– van bij het eerste voorschrift zal hij met jou bespreken hoe en wanneer de behandeling met benzodiazepines zal worden gestopt. Je kunt daarbij opteren voor een stopbrief, die je arts naar je opstuurt op het gepaste tijdstip.
– bij angststoornissen en slaapstoornissen zal hij eerst alternatieve behandelingen proberen.
– hij zal je de kleinst mogelijke werkzame dosis voorschrijven.
– hij zal je een benzodiazepine met een trage werkingstijd voorschrijven.
– hij zal je herhalingsvoorschriften geven voor kleine verpakkingen.
– de redenen voor langdurig gebruik moeten minstens één keer per jaar opnieuw beoordeeld worden.

Gebruik versus stoppen: voor- en nadelen
Als je last hebt van stemmingsstoornissen, zal de arts je hiervoor medicatie voorschrijven. Dit gebeurt enkele weken voor het afbouwen van de benzodiazepines.
Als je enkel afhankelijk bent van een normale dosis, zal je arts samen met jou bespreken of je niet best ontwent, dan wel tijdelijk de benzodiazepines toch doorneemt. Je zult samen met hem de voor- en nadelen overlopen: in sommige gevallen volstaat een alternatieve behandeling niet om de angstgevoelens of slaapstoornissen onder controle te krijgen, maar benzodiazepines hebben bij langdurig gebruik daarentegen schadelijke effecten:
– risico op afhankelijkheid en tolerantie, waardoor een steeds grotere behoefte ontstaat.
– verminderde waakzaamheid en hogere kans op ongevallen in het verkeer of bij het uitvoeren van beroepsactiviteiten.
– verwarring en opwinding bij mensen met dementie.
– verminderde bekwaamheid om impulsen te controleren, met middelenmisbruik en gewelddadig gedrag tot gevolg.
– verhoogde hunkering naar alcohol bij personen die daar gevoelig voor zijn.
– tijdens de zwangerschap wordt de stof via de moederkoek doorgegeven aan het ongeboren kind.
– gebruik van zeer hoge dosissen of van meerdere middelen tegelijkertijd is levensbedreigend.

Behandelplan
Je arts of specialist kan samen met jou een behandelplan opstellen om het geneesmiddel stop te zetten.

Opvragen van informatie
De arts zal je vragen om het behandelplan te ondertekenen voor akkoord. Je moet ook je schriftelijke toestemming geven om alle noodzakelijke informatie op te vragen bij alle huidige en vorige behandelaars.
Een kopie van het behandelplan wordt ook opgestuurd naar alle vorige behandelaars zodat zij op de hoogte zijn van de gemaakte afspraken en van de afhankelijkheid. De vorige behandelaars krijgen in een later stadium bovendien informatie over de voortgang van de behandeling.
Indien nodig wordt bij alle lokale apotheken informatie opgevraagd over welke geneesmiddelen je hebt gekocht in het afgelopen jaar.

Afspraken m.b.t. de ontwenning
Je arts zal je verwittigen dat tijdens de ontwenningskuur op willekeurige tijdstippen tests kunnen worden afgenomen (ademtests, urinetests). Hij zal je tevens waarschuwen dat er tijdens de ontwenningskuur geen nieuwe voorschriften voor benzodiazepines zullen worden geschreven, ook niet wanneer je beweert dat je voorschriften verloren of gestolen zijn. Je arts zal je enkel behandelen voor je ontwenningsverschijnselen wanneer nodig.
Je arts kan je vragen om een dagboek bij te houden van je geneesmiddelengebruik. Dit zal je helpen om risicovolle situaties te herkennen zodat je ze kunt vermijden of voorkomen.
Je arts kan je ook vragen om een overeenkomst af te sluiten met een bepaalde apotheek. Op die manier kun je je geneesmiddelen enkel nog in die apotheek halen, mocht de vrees bestaan dat een behandeling op een andere manier niet zal slagen.

Startdosis
Bij het opstarten van de afbouwende behandeling wordt een startdosis vastgelegd. Deze dosis moet volstaan om de ontwenningsverschijnselen te onderdrukken en om het inslapen toe te laten. De ontwenningsverschijnselen worden gescreend op basis van pols, bloeddruk, zweten, beven. Er bestaan speciale vragenlijsten om de ontwenningsverschijnselen na benzodiazepinegebruik te beoordelen: de CIWA-B (Clinical Institute Withdrawal Assessment – Benzodiazepines).
De startdosis wordt geleidelijk aan afgebouwd. Als je klachten toenemen, dan gebeurt het afbouwen van de dosis best wat trager. Na stopzetten van benzodiazepines met korte werkingsduur kunnen al ontwenningsverschijnselen optreden na 1 tot 2 dagen. Met benzodiazepines met lange werkingsduur treden de ontwenningsverschijnselen soms pas op na 14 dagen. Soms worden er bijkomend andere geneesmiddelen voorgeschreven.

Opvolging en controle
Tijdens het afbouwen van benzodiazepines moet je regelmatig bij je arts op controle gaan. Zo kan tijdig ingegrepen worden in geval van problemen bij de stopzetbehandeling. Een tragere afbouw kan vaak al helpen.
Na een succesvolle benzodiazepineontwenning is het belangrijk om met je arts toch nog enkele opvolgafspraken te maken. Hij onderzoekt dan het risico op herval, gaat na of er eventuele psychiatrische klachten zijn, en behandelt desgevallend herval van angstklachten of slaapstoornissen tijdig op een andere manier.
Er bestaan zelfhulpgroepen en discussiegroepen voor benzodiazepineafhankelijke personen. Deze bieden steun en hulp zowel tijdens als na het stopzetten van het gebruik. Zo’n 70% tot 80% van de personen die afhankelijk zijn aan een lage (normale) dosis benzodiazepines slagen erin om via een geleidelijke afbouw zonder al te grote problemen te ontwennen. Dat lukt slechts bij 1 op de 4 mensen met misbruik van meerdere middelen, ondanks hun grote motivatie om te stoppen. Mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen hebben het meestal moeilijker om te stoppen met benzodiazepines.

Bronnen 

www.ebmpracticenet.be
www.domusmedica.be/richtlijn geneesmiddelenverslaving
Matheï C. Richtlijnen bij het voorschrijven van benzodiazepines aan illegale druggebruikers, Free Clinic Antwerpen.
www.vad.be
Bode T, De Lepeleire J. Benzodiazepinen afbouwen via de minimale interventiestrategie. Huisarts Nu 2008;37(10).

verschenen op 20/08/2014

Is chocomelk goed voor het geheugen?

foto bij artikel Is chocomelk goed voor het geheugen?

Nieuws onder de loep

Volgens krantenberichten krijgen ouderen die dagelijks chocomelk drinken weer een geheugen zoals een 30- tot 40-jarige. Dat zou blijken uit een nieuwe Amerikaanse studie.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Het gaat om een kleine Amerikaanse studie bij gezonde, niet-actieve volwassenen tussen 50 en 70 jaar. De testpersonen kregen een hersenscan waarbij de activiteit van die hersenzone geëvalueerd werd die in verband gebracht wordt met het geheugen. Vervolgens werden ze onderverdeeld in vier groepen: één groep kreeg een hoge dosis (900mg) flavanol (een antioxidant dat overvloedig aanwezig is in cacaobonen) in combinatie met een aeroob oefenprogramma (1 uur per dag, 4 dagen per week), een tweede groep kreeg een hoge dosis flavanol zonder oefenprogramma, de derde een lage dosis (10mg) flavanol met oefenprogramma en de vierde enkel een lage dosis flavanol. Drie maanden later werd het geheugen getest met de ModBent-test: de testpersoon kreeg een complex beeld te zien en onmiddellijk daarna een nieuw, gelijkaardig beeld. Bedoeling is dat hij of zij zo snel mogelijk klikt wanneer het tweede beeld identiek is aan het eerste.

Alle proefpersonen kregen een nieuwe hersenscan: de zone die met het geheugen gelinkt wordt, bleek iets beter doorbloed in de testgroep die hoge doses flavanol hadden ingenomen, onafhankelijk van het oefenprogramma. De groep die hoge doses flavanol kreeg, reageerde ook iets sneller (gemiddeld 630 milliseconden) in vergelijking met de groep die lage doses flavanol kreeg.

De onderzoekers besloten dat hoge doses flavanol per dag de hersendoorbloeding in de geheugenzone verbeterde, alsook de reactiesnelheid, maar niet de accuraatheid om beelden te herkennen. Dat wijst erop dat dagelijkse cacaoconsumptie het geheugen kan verbeteren.

Bron

(1) Brickman AM, Khan UA, Provenzano FA, et al. Enhancing dentate gyrus function with dietary flavanols improves cognition in older adults. Nature Neuroscience. Published online October 26 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om een kleine studie, waarbij slechts 37 mensen het hele traject doorliepen. Dat hun fysieke fitness niet veranderde, kan er op wijzen dat ze het voorgeschreven oefenprogramma niet volgden zoals opgedragen. De flavanol-supplementen die de proefpersonen kregen, komen niet overeen met de dosis in een doorsnee kop chocomelk, maar zijn veel hoger. De doses werden speciaal voor dit onderzoek ontworpen. Bij nader inzien bleek dat één van de onderzoekers tewerkgesteld is bij Mars, één van de marktleiders onder de chocoladeproducenten, wat de resultaten zou kunnen beïnvloed hebben.

De studie toonde overigens niet aan dat het geheugen verbeterde, maar wel dat de reactietijd iets verkortte bij inname van hoge doses flavanol. Het persbericht, dat de betrokken universiteit uitstuurde, stelt evenwel dat een deelnemer die een geheugen heeft van een 60-jarige na 3 maanden het geheugen heeft van een 30- tot 40-jarige, wat een veronderstelling is die niet werd aangetoond in het onderzoek.

Conclusie

Dagelijkse hoge doses flavanol, een antioxidant uit cacaobonen, blijken de doorbloeding in een deel van de hersenen dat in verband gebracht wordt met het geheugen te verbeteren. Of het geheugen verbetert, werd hier niet aangetoond.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/10October/Pages/A-mug-of-cocoa-is-not-a-cure-for-memory-problems.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 28/10/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Verhoogt een zware sportinspanning de kans op trombose?

foto bij artikel Verhoogt een zware sportinspanning de kans op trombose?

Nieuws onder de loep

Een zware sportinspanning doet de kans op klontervorming in het bloed stijgen, wat een trombose kan veroorzaken. Dat blijkt uit Nederlands onderzoek bij 100 wielertoeristen die deelnamen aan de Amstel Gold Race.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Onderzoekers van Synapse BV, een bedrijf dat gelinkt is aan de universiteit van Maastricht, bekeken de invloed van zware inspanningen op de neiging van het bloed om te gaan stollen. Ze gebruikten daarvoor een nieuw ontwikkelde test die toelaat met enkele vingerdruppels bloed op een paar minuten tijd het stollingssysteem te onderzoeken. (1) Zij stelden vast dat alle onderzochte wielertoeristen na afloop van de wedstrijd een abnormale stolbaarheid van het bloed vertoonden.

Bron

(1) de Witt et al. Identification of platelet function defects by multi-parameter assessment of thrombus formation. Nat Commun. 2014 Jul 16;5:4257. doi: 10.1038/ncomms5257.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De bloedstolling speelt een cruciale rol om bloedingen die bij verwondingen optreden te stelpen. Maar het bloedstollingsproces kan ook in werking treden als er helemaal geen bloedingen zijn en zo aanleiding geven tot klontervorming binnenin een bloedvat, een fenomeen dat als ‘trombose’ bekend staat. Een dergelijke trombose kan zo aanleiding geven tot een hartinfarct of een (hersen)beroerte. Reeds vele jaren onderzoeken wetenschappers wereldwijd naar testen die toelaten om een abnormale neiging tot klontervorming op te sporen. De hoop is om daar met medicatie op in te grijpen en zodoende het risico op trombose te verminderen. Het Nederlandse onderzoek past in deze context. Deze wetenschappers ontwikkelden een handige en gemakkelijk uit te voeren test die ze nu in een mobiel lab uitprobeerden bij wielertoeristen.

Wat verder in de krant staat maakt ons niet veel wijzer. De onderzochte fietsers zouden allen abnormaal gescoord hebben. Hóe abnormaal de testen waren in vergelijking met niet-wielertoeristen weten we niet. We weten ook niet hoe het later met de fietsers vergaan is en of er sommigen echt een probleem ontwikkelden. Of het vinden van een verhoogde bloedingsneiging met de uitgevoerde testen een hogere kans op trombose betekent, leert het onderzoek ons niet.

De resultaten van het onderzoek stroken niet met de wetenschap dat sporters over het algemeen een verlaagd risico hebben op een hartinfarct. Het is niet uitgesloten dat er een verband is tussen de bevindingen en het optreden van plotse dood tijdens het sporten, maar ook hierover laat dit onderzoek geen verdere uitspraken toe.

Conclusie

De gerapporteerde bevindingen zijn voor wetenschappers mogelijk interessant, maar hebben voor de sportende Vlaming momenteel geen enkele betekenis. Het feit dat sporten gezond is primeert boven de vaststelling dat men in het bloed van wielertoeristen iets vindt waarvan men nog niet weet wat het concreet betekent. In die zin is de titel van het stukje in de krant (‘Extreme inspanning verhoogt kans op trombose’) misleidend.

klokje bij datum van publicatie verschenen op 22/10/2014 | Cebam | geschreven door Hans Van Brabandt

Is het terugdraaien van de klok nadelig voor kinderen?

foto bij artikel Is het terugdraaien van de klok nadelig voor kinderen?

Nieuws onder de loep

Mocht de klok het hele jaar door op ‘zomertijd’ blijven staan, dus een uurtje vooruit, dan zouden kinderen meer bewegen, onafhankelijk van het weer. Dat beweren Britse onderzoekers.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Gisteren schakelden de meeste West-Europese landen over op wintertijd: de klok werd een uurtje teruggedraaid. Volgens Britse wetenschappers is dat niet zo’n goed idee. Zij stelden vast dat, wanneer het ’s avonds vroeger donker is, kinderen minder spelen en sporten (1).

In totaal werden meer dan 23.000 kinderen tussen 5 en 16 jaar uit 9 landen bij het onderzoek betrokken. Het doel was nagaan of kinderen actiever zijn wanneer het na schooltijd langer licht blijft. Iets minder dan 500 Britse kinderen droegen een bewegingsdetector, die hun activiteitsgraad nauwkeurig registreerde. Ze droegen dit toestelletje de dagen voor en de dagen na de omschakeling van zomer- naar wintertijd. De onderzoekers vonden een klein verschil in activiteitsgraad (1,7 minuten extra matig tot intensief bewegen per dag, onafhankelijk van het weer), in de dagen dat de zon later onderging. Dit kleine verschil op individueel niveau, zou een duidelijke impact hebben op populatieniveau: zelfs meer dan wat campagnes die aansporen tot meer beweging behalen.

Ook werd vastgesteld dat klaarte in de ochtend en de vroege namiddag geen impact heeft op de bewegingsgraad bij kinderen (dan zitten ze op school), maar enkel een invloed uitoefent in de late namiddag en de vroege avond. De onderzoekers vragen zich af of het niet nuttig zou zijn om de klok het hele jaar door op zomertijd te laten staan, om het activiteitsniveau van kinderen op te krikken.

Bron

(1) Goodman A, et al. Daylight saving time as a potential public health intervention: an observational study of evening daylight and objectively-measured physical activity among 23,000 children from 9 countries. International Journal of Behavioural Nutrition and Physical Activity. Published 23 October 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het lijkt logisch: wanneer het later licht is, kunnen kinderen langer buiten spelen. Is het ‘s ochtends vroeger licht, dan kunnen kinderen daar niet fysiek van profiteren, omdat ze op school zitten.

De aard van dit onderzoek laat echter niet toe te bewijzen dat het verzetten van de klok in zomer en winter rechtstreeks aanzet tot meer of minder beweging bij kinderen. Anderzijds is het onmogelijk om een studie op te zetten die dit zou kunnen bewijzen: daartoe zou je een groep kinderen die in ‘zomertijd’ leven moeten kunnen vergelijken met kinderen die in ‘wintertijd’ leven, in gelijkaardige omstandigheden. Het kleine individuele verschil (voor Britse kinderen uit de studie: meer dan 1,7 minuten extra activiteit per dag), betekent inderdaad een groot verschil op populatieniveau, waarvoor geen grote inspanning zou nodig zijn.

Conclusie

Wanneer de zon later ondergaat en het ’s avonds langer licht is, zijn kinderen tussen 5 en 16 jaar fysiek iets actiever. Deze studie doet nadenken over de gevolgen van het terugzetten van de klok naar wintertijd.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/10October/Pages/daylight-saving-clocks-go-back-kids-fitness.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 27/10/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Hoe lang duurt het om een blikje cola weg te sporten?

foto bij artikel Hoe lang duurt het om een blikje cola weg te sporten?

Nieuws onder de loep

Een Amerikaanse studie toont dat wanneer jongeren te lezen krijgen hoe lang het duurt om de calorieën in gesuikerde frisdrank weg te sporten, ze er minder van drinken.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Mensen onderschatten systematisch de calorieën die ze eten en drinken en ze overschatten de hoeveelheid calorieën die je verbrandt bij beweging. Omdat de hoge consumptie van gesuikerde frisdrank een van de redenen is waarom veel jongeren uit minder bedeelde groepen kampen met overgewicht en obesitas, deden Amerikaanse onderzoekers volgend experiment. In 6 supermarkten in een achtergestelde buurt in Baltimore, waar veel Afro-Amerikaanse jongeren shoppen, onderzochten ze in 2012-2013 de consumptie van gesuikerde frisdrank bij jongeren tussen 12 en 18 jaar. Vervolgens zetten ze opvallende borden bij de koelkasten en rekken met gesuikerde frisdrank met volgende boodschappen: Wist je dat 1 fles frisdrank 250 calorieën bevat? Wist je dat 1 fles frisdrank 16 koffielepels suiker bevat? Wist je dat je 50 minuten moet lopen of 5 mijl moet wandelen om de calorieën van 1 fles te verbranden?

De borden bleven 4 weken staan en in de 6 daaropvolgende weken werd het koopgedrag van de jongeren minutieus bijgehouden. De borden zorgden voor een duidelijke daling in de verkoop van gesuikerde frisdrank (tot 89% van de oorspronkelijke verkoop). Het aandeel van de verkoop van grote flessen verminderde van 55% tot 37%. Het effect bleef aanhouden in de 6 weken na het wegnemen van de informatieborden. In interviews die in de winkels gevoerd werden, bleek iets meer dan één derde de borden te hebben gezien. Daarvan had 95% de boodschap begrepen en zei 40% zijn koopgedrag te hebben aangepast.

De onderzoekers concluderen dat duidelijke informatie over de calorie-inhoud en wat die precies betekent, bijdraagt tot het bijsturen van de hoge gesuikerde frisdrank-consumptie van Afro-Amerikaanse jongeren.

Bron

(1) Bleich SN, Barry CL, Gary-Webb TL, Herring BJ. Reducing Sugar-Sweetened Beverage Consumption by Providing Caloric Information: How Black Adolescents Alter Their Purchases and Whether the Effects Persist. American Journal of Public Health. Published online October 16 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

We leven in een omgeving die ons voortdurend aanzet tot eten en drinken. Reclamecampagnes en acties in supermarkten missen hun doel niet als het erom gaat mensen aan te zetten tot kopen. Voedingsetiketten geven wel het aantal calorieën weer, maar weinigen lezen die, laat staan dat ze begrijpen wat pakweg 250 calorieën betekent. De grote frisdrankverpakkingen die gangbaar zijn in de Verenigde Staten, zijn hier minder populair. Bij ons bevat een doorsnee colablikje 330 ml ofwel 139 calorieën. Om dat te verbranden, moet je ongeveer 20 minuten lopen tegen 9 km/u. Hoeveel energie je precies verbruikt met lopen, is weliswaar niet voor iedereen hetzelfde en wordt beïnvloed door lichaamsgewicht- en lengte, geslacht en leeftijd.

Of dergelijke informatie in supermarkten een groot effect heeft op het lichaamsgewicht op jongeren op langere termijn, kan deze studie niet aantonen. Enkel dat er een zeker effect is op korte termijn bij jongeren uit minder bedeelde groepen.

Conclusie

Door het equivalent van calorieën uit te drukken in fysieke activiteit gaan jongeren beter beseffen hoeveel calorieën ze wegdrinken met gesuikerde frisdrank.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/10October/Pages/Exercise-data-signs-could-cut-sugary-drink-intake.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 20/10/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Waarom wordt de diagnose longkanker vaak te laat gesteld?

foto bij artikel Waarom wordt de diagnose longkanker vaak te laat gesteld?

Nieuws onder de loep

Britse wetenschappers hebben ontdekt dat longkanker vaak veel te laat wordt vastgesteld. Een derde van de patiënten zou pas drie maanden voordat ze sterven de diagnose krijgen. Huisartsen zouden de tumor te laat ontdekken.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Longkanker is een veelvoorkomende kanker met een slechte prognose. Britse onderzoekers wilden weten hoe het komt dat de tumor vaak pas in een laattijdig stadium wordt opgemerkt. Daartoe analyseerden ze de medische dossiers van 20.142 longkankerpatiënten die hun diagnose kregen in 444 huisartsenpraktijken (1). Ze vergeleken de mensen die de diagnose langer dan 90 dagen overleefden met de groep die stierf binnen de 90 dagen volgend op de diagnose. Volgende karakteristieken werden onder de loep genomen: geslacht, leeftijd, rookgedrag, socio-economische klasse, wonen in de stad of op het platteland, aantal bezoeken aan de huisarts in de 4 maanden voorafgaand aan de diagnose en een röntgenfoto van de longen hebben gehad in de 4 maanden voorafgaand aan de diagnose.

Uit hun analyse bleek het volgende: 70% van de longkankerpatiënten was nog in leven 90 dagen na de diagnose, 15% stierf tussen 30 en 90 dagen, 10% stierf binnen de 30 dagen en bij 5% werd de diagnose pas gesteld bij overlijden. Mensen die overleden binnen de 90 dagen hadden in de 4 voorafgaande maanden hun huisarts 5 keer bezocht, wie die periode overleefde slechts 4 keer. Patiënten die een röntgenfoto van de longen hadden gekregen, overleefden langer. Het risico op vroegtijdig overlijden was groter bij mannen, rokers, oudere personen, mensen uit lagere socio-economische klassen en wonend op het platteland.

De onderzoekers besloten dat diegenen die de diagnose longkanker geen 90 dagen na de diagnose overleefden, minder vaak een röntgenfoto van de longen hadden gehad, maar wel vaker hun huisarts hadden geraadpleegd. Daarom suggereren de onderzoekers dat huisartsen mogelijk kansen missen om de diagnose te stellen.

Bron

(1) O’Dowd EL, McKeever TM, Baldwin DR, et al. What characteristics of primary care and patients are associated with early death in patients with lung cancer in the UK? (PDF, 727.2kb). Thorax. Published online October 13 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het laattijdig stellen van de diagnose longkanker is grotendeels te wijten aan het ontbreken van symptomen in de vroege stadia van de ziekte. Persisterende hoest, bloedfluimen, kortademigheid, abnormale vermoeidheid en gewichtsverlies verschijnen pas wanneer longkanker al gevorderd is. Roken is nog steeds de grootste oorzaak van longkanker en een hardnekkige hoest wordt door de roker vaak toegeschreven aan zijn rookgedrag.

De huisarts beschuldigen is voorbarig. Dat de patiënten die ietwat vaker hun huisarts bezochten (in deze studie 5 keer in plaats van 4 keer, wat een klein verschil is) minder lang overleefden, kan met andere factoren te maken hebben. Misschien hadden ze nog andere redenen om naar hun huisarts te gaan of misschien overleden ze als gevolg van een andere aandoening. Dat vooral oudere mannelijke rokers uit lagere socio-economische klassen en wonend op het platteland vroegtijdig sterven door longkanker, kan er op wijzen dat ze minder alert zijn voor de ziekte en de gevaren van roken. Mogelijk zoeken ze hun huisarts later op in geval van klachten.

Conclusie

Mensen die vroegtijdig overlijden na de diagnose longkanker hebben in de voorafgaande maanden iets vaker hun huisarts bezocht en kregen minder vaak een röntgenfoto van de longen. Daaruit concluderen dat de arts hier kansen heeft laten liggen, is voorbarig en kan deze studie niet aantonen. Longkanker heeft in een vroegtijdig stadium geen symptomen en veel rokers wijten hun hoestgedrag aan het roken zelf, waardoor ze mogelijk later naar een arts gaan. Dat vooral oudere rokers uit lagere sociale klassen, wonend op het platteland, sneller na de diagnose overlijden, kan er ook op wijzen dat ze zich onvoldoende bewust zijn van de gevaren van roken.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/10October/Pages/Concerns-raised-about-late-diagnosis-of-lung-cancer.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 17/10/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst