Maakt suiker depressief?

foto bij artikel Maakt suiker depressief?

Nieuws onder de loep

Een Amerikaans onderzoek heeft aangetoond dat te veel suiker eten niet alleen leidt tot overgewicht, maar ook kan zorgen voor meer depressie, angst en stress. Fructose blijkt namelijk de hersenen op een negatieve manier te beïnvloeden.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Suiker staat al geruime tijd ter discussie. Deze studie gaat over fructose, ofwel vruchtensuiker. Fructose is van nature aanwezig in verschillende fruitsoorten, maar wordt ook veel gebruikt als zoetstof in voedingsmiddelen en dranken.

Wetenschappers zeggen dat vooral het veelvuldig eten van fructose tijdens de tienerjaren bepalend is voor de mentale staat later. Als onderdeel van de studie gaven de Amerikaanse vorsers tienerratten en volwassen ratten hetzij een standaard dieet, hetzij een dieet rijk aan fructose. Na tien weken stelden ze de ratten bloot aan stress door hen te laten zwemmen of door hen te verstoppen in een doolhof.

De tienerratten die het dieet met veel fructose gekregen hadden, vertoonden een andere reactie op de stresstest dan de volwassen ratten. Ze produceerden meer van het stresshormoon cortisol en vertoonden bijgevolg angstig en depressief gedrag. De fructose in de rattenlichaampjes beïnvloedde het onderdeel van de hersenen dat bepaalt hoe men reageert op stress. Bij de ratten met het standaard dieet was dit niet het geval.

Bron

1) Harrell CS, Heigh GN, Burgado J, Kelly SD, and Johnson ZP. Developmental high-fructose diet consumption increases depressive-like and anxiety-like behavior and remodels the hypothalamic transcriptome. Neuroscience 2014. Presentation on 15 Nov 2014.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Dit nieuws is gebaseerd op resultaten gepresenteerd tijdens een wetenschappelijk congres. Hierover is alleen een korte samenvatting geschreven, waardoor we weinig informatie hebben over hoe de studie is uitgevoerd.

Belangrijk is dat het een experiment met dieren betrof. Ratten die tijdens hun jeugdperiode veel fructose kregen, vertoonden ander gedrag en hormonale afwijkingen vergeleken met ratten die op latere leeftijd veel fructose kregen. Of dit effect ook voor mensen geldt, is hiermee niet bewezen. We hebben geen degelijk onderzoek gevonden dat dit verband in mensen heeft aangetoond.

Conclusie

Deze studie bewijst niet dat het eten van te veel suiker bij mensen leidt tot depressie, angst of stress.

klokje bij datum van publicatie verschenen op 26/11/2014 | Cebam | geschreven door Trudy Bekkering
Advertenties

Vergroot prenatale blootstelling aan luchtverontreiniging de kans op ADHD?

foto bij artikel Vergroot prenatale blootstelling aan luchtverontreiniging de kans op ADHD?

Nieuws onder de loep

Kinderen die worden blootgesteld aan hoge niveaus van luchtvervuiling wanneer ze zich nog in de baarmoeder bevinden, lopen meer risico op ADHD. Dat beweren Amerikaanse onderzoekers op basis van een nieuwe studie.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Onderzoekers volgden 233 niet-rokende Afro-Amerikaanse en Dominicaanse zwangere vrouwen die leven in drie suburbs in New York. Ze berekenden in hoeverre de vrouwen werden blootgesteld aan vervuilde lucht door de impact van PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) op het DNA in het bloed te meten. PAK’s komen vrij bij verbranding van fossiele brandstoffen en modifiëren het DNA. De belangrijkste bronnen zijn verkeer en verwarmingsinstallaties.

De hoeveelheid gewijzigd DNA als gevolg van PAK-blootstelling werd opnieuw gemeten in het moederlijk bloed en in het navelstrengbloed bij de bevalling. Om gedragsproblemen, genre ADHD, bij de kinderen op te sporen, werd de ouders gevraagd vragenlijsten in te vullen op het moment dat de kinderen 9 jaar waren. Op die manier werden gegevens van 250 kinderen verzameld. In vergelijking met de moeders met weinig DNA-wijzigingen in het bloed hadden kinderen van moeders met hogere concentraties aangetast DNA meer kans op gedragsproblemen, zoals concentratiestoornissen. Dit gold enkel voor de waarden gemeten tijdens de bevalling, en niet voor de waarden gemeten eerder in de zwangerschap.

De onderzoekers besluiten dat blootstelling aan sterk vervuilde lucht in de zwangerschap mogelijk geassocieerd kan worden met een hoger risico op ADHD bij het nageslacht, althans voor vrouwen in bepaalde subgroepen in New York.

Bron

(1) Perera FP, et al. Early-Life Exposure to Polycyclic Aromatic Hydrocarbons and ADHD Behavior Problems. PLOS One. November 5 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Eerst en vooral: hier werd geen oorzakelijk verband aangetoond tussen luchtverontreiniging en ADHD. De studie heeft bovendien een aantal sterke mankementen. Zo werd de diagnose ADHD niet gesteld door een arts, maar afgeleid op basis van vragenlijsten ingevuld door de ouders.

Het gaat om een kleine groep (250 kinderen) van specifieke populaties (Afro-Amerikaans, Dominicaans), en dat kan je dus niet zomaar veralgemenen. Belangrijk is dat er geen verband gevonden werd tussen gewijzigde DNA -waarden in het bloed van de moeders en blootstelling aan vervuilde lucht.

De hoeveelheid gewijzigd DNA in het bloed als gevolg van blootstelling aan PAK wordt niet alleen door de vervuilde lucht zelf bepaald, maar ook door de reparatiecapaciteit en ontgiftigingsmogelijkheden van het menselijk lichaam. Hoeveel PAK je opneemt en hoe snel het gewijzigd DNA opnieuw hersteld wordt, is individueel verschillend. Daarom kan je niet zomaar een verband leggen tussen luchtvervuiling en gezondheidsrisico’s, te meer wanneer het gaat om effecten op het gedrag bij het nageslacht. Bovendien werd niet onderzocht in hoeverre socio-economische factoren, omgeving en levensstijl het gedrag van de kinderen beïnvloedden.

Conclusie

Deze studie zegt niet dat blootstelling aan vervuilde lucht in de zwangerschap ADHD kan veroorzaken bij het nageslacht. Het is dus niet nodig om met beschermkapjes rond te lopen tijdens de zwangerschap, noch om hevig ongerust te worden wanneer je ergens in de file staat.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/11November/Pages/are-pollution-and-attention-problems-related.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 12/11/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Vermindert seks met meer dan 20 vrouwen het risico op prostaatkanker?

foto bij artikel Vermindert seks met meer dan 20 vrouwen het risico op prostaatkanker?

Nieuws onder de loep

Mannen die tijdens hun leven seks hebben met meer dan 20 vrouwen, lopen minder risico op prostaatkanker. Dat bericht, gebaseerd op een Canadese studie, lees je in verschillende kranten en op nieuwswebsites.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Canadese onderzoekers vergeleken 1.590 mannen met prostaatkanker met 1.618 mannen van dezelfde leeftijd zonder prostaatkanker (1). Alle mannen werden geïnterviewd over hun levenswijze, opleidingsniveau, inkomen, burgerlijke stand, seksueel leven en doorgemaakte seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA’s). De onderzoekers wilden onder andere weten of er een verband bestaat tussen bepaalde SOA’s, zoals gonorrhee, syfilis, herpes, chlamydia,…, enerzijds en prostaatkanker anderzijds. Ook zochten ze mogelijke verbanden met seks: heteroseksuele, homoseksuele, biseksuele relaties, leeftijd bij de eerste coïtus en met hoeveel vrouwelijke en/of mannelijke partners de deelnemers het bed hadden gedeeld. Uit de resultaten blijkt dat er geen verband gevonden werd tussen prostaatkanker enerzijds en bepaalde SOA’s, noch de leeftijd van de eerste geslachtsgemeenschap anderzijds. Men vond wel dat dubbel zoveel mannen met prostaatkanker een eerstegraadsverwant (vader, broer) hadden met dezelfde kanker in vergelijking met mannen zonder prostaatkanker. Quasi alle mannen met prostaatkanker hadden in de voorbije 2 jaar een screeningstest (PSA-test) ondergaan, tegenover driekwart van de mannen zonder prostaatkanker. Wat de seksuele activiteiten betrof, deden de onderzoekers volgende vaststellingen. Nooit seks hebben gehad beïnvloedde het prostaatkankerrisico niet. Mannen die met minstens 21 vrouwen seks hadden gehad, liepen 0,72 keer minder risico op prostaatkanker dan mannen die met 1 vrouw seks hadden gehad. Bij homoseksuele mannen vond men dit niet: 1 sekspartner of meerdere maakte geen verschil. Tenzij men onderscheid maakte tussen niet-agressieve (Gleasonscore < 7) en agressieve (Gleasonscore > 7) prostaatkankers. In dat geval hadden homoseksuele mannen met meer dan 20 mannelijke bedpartners een verhoogd risico op niet-agressieve prostaatkanker. De onderzoekers besloten dat het aantal sekspartners mogelijk een rol speelt bij het ontstaan van prostaatkanker.

Bron

(1) Spence AR, Rousseau M, Parent M. Sexual partners, sexually transmitted infections, and prostate cancer risk. Cancer Epidemiology. Published online September 29 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De aard van de studie kan niet bewijzen dat het hier om een oorzakelijk verband zou gaan. Meer nog, de kans dat het gaat om een toevallige vondst, is niet onwaarschijnlijk. Mocht er echt een verband zijn tussen aantal sekspartners en prostaatkanker, dan zou je verwachten dat hoe meer vrouwen, hoe kleiner het risico voor hetero’s en hoe meer mannen, hoe groter het risico voor homo’s. Dat is niet het geval: er is geen verschil in risico tussen 1 bedpartner tot 20 bedpartners, maar wel tussen 1 en 21 bedpartners. Dat verschil is bovendien klein (0,72). Overigens kunnen andere factoren de resultaten hebben beïnvloed: zoals niet geheel de waarheid spreken tijdens de interviews over voorbije seksuele activiteiten.

Conclusie

Deze studie heeft weinig om het lijf: het is twijfelachtig dat meer dan 20 sekspartners hebben gehad, veel invloed heeft op het risico op prostaatkanker, zowel bij homo’s als bij hetero’s.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/10October/Pages/Claim-sex-with-21-women-could-cut-prostate-risk.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 10/11/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Is shiftwerk slecht voor het brein?

foto bij artikel Is shiftwerk slecht voor het brein?

Nieuws onder de loep

Wie in een onregelmatig ploegensysteem werkt, ondervindt op lange termijn schade aan zijn kortetermijngeheugen en zijn cognitieve vermogen. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Toulouse.

Waar komt dit nieuws vandaan?

In 1996 rekruteerden Franse onderzoekers 3.232 werkende en gepensioneerde volwassenen van 32, 42, 52 en 62 jaar. Ze vulden vragenlijsten in en deden een reeks geheugentestjes, waaronder een rij woorden lezen en ze onmiddellijk nadien herhalen. Op basis daarvan werd een beoordeling gegeven van hun cognitief vermogen, uitgedrukt in punten op 100.

Dezelfde mensen werden uitgenodigd na 5 jaar en na 10 jaar om dezelfde tests mee te doen. In totaal doorliepen 1.197 personen alle testfasen (1). De deelnemers werden bevraagd over eventuele ploegenarbeid en de aard ervan: werken in shiften, nachtwerk, moeten opstaan voor 5 uur ’s ochtends, werken tot na middernacht, … Ook moesten ze aangeven hoe lang ze in dergelijk systeem gefunctioneerd hadden: nooit, 10 jaar of minder, of meer dan 10 jaar.

Na analyse van alle gegevens en testresultaten stelden de onderzoekers vast dat diegenen die langer dan 10 jaar in ploegen werkten, minder goed presteerden op de cognitieve tests. Wat de geheugentest betrof, haalden de shiftwerkers een gemiddelde score van 48,5 tegenover 50,8 bij de niet-shiftwerkers. Ook de reactiesnelheid was iets lager: 78,5 tegenover 76,5. Voor mensen die 10 jaar of minder in ploegen werkten, of bij wie het shiftwerk minstens 5 jaar geleden was, vond men geen verschillen. De onderzoekers besloten dat shiftwerk de cognitieve functies tijdelijk kunnen verminderen.

Bron

(1) Marquié J, Tucker P, Folkard S, et al. Chronic effects of shift work on cognition: findings from the VISAT longitudinal study. Occupational & Environmental Medicine. Published online November 3 2014

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De verschillen zijn significant, maar wel klein. Het is nog de vraag of een scoreverschil van 2 à 3 punten op 100 enige betekenis heeft. Het is ook niet zeker dat deze verschillen veroorzaakt worden door het shiftwerk zelf, vermits de verschillen tussen shift- en niet-shiftwerk al bestonden bij de eerste testafname in 1996. Mogelijk spelen ook individuele verschillen mee tussen de groep die in ploegen werkt en de groep met meer regelmatige werkuren. De onderzoekers gingen niet na wat voor jobs de testpersonen precies deden. Ging het om fabrieksarbeiders, nachtverpleegsters, mensen die ’s nachts een radioprogramma verzorgen, …? Ook de aard van het werk en de opleiding van de arbeiders en werknemers kan een impact hebben.

Conclusie

Dit onderzoek toont niet eenduidig aan dat shiftwerk het brein zou benadelen. Als er al verschillen zijn, zijn deze klein en mogelijk betekenisloos. Wie in een ploegensysteem werkt, moet zich niet ongerust maken.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2014/11November/Pages/Shift-work-ages-the-brain-study-argues.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 06/11/2014 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Eerste hulp bij brandwonden

Eerst water, de rest komt later

Eerst water, de rest komt later!

  • Binnen de 20 minuten na het oplopen van de brandwonde
  • Gedurende 20 minuten afkoelen
  • Met lauw water van ongeveer 20 graden

Koelen

Koel de wonde onmiddellijk na het brandongeval gedurende een twintigtal minuten af onder lauw, stromend water. Doe dat zo vlug mogelijk, want een half uur later baat het niet meer.

  • Koelen is belangrijk om de ernst van de brandwonde te beperken en om haar genezing te bevorderen.
  • Het onmiddellijk afkoelen met lauw water, en dit gedurende 20 minuten, doet de temperatuur van de verbrande huid dalen en verhindert op die manier dat de wonde zal nabranden en de kwetsuur zou verergeren. In bepaalde gevallen zal die eenvoudige handeling een spontane genezing toelaten.
  • Besproei alle delen van het lichaam die getroffen zijn.
  • Het water zal de pijn onmiddellijk doen verminderen.
  • Juwelen, horloge worden best onmiddellijk verwijderd.
  • Betreft het een verbranding door scheikundige producten, zet de patiënt onmiddellijk onder de douche. BEGIN DE PATIËNT UITVOERIG TE DOUCHEN en terwijl hij onder de waterstroom is, laat hem de doorweekte kleren en schoenen uitdoen (behalve als ze aan zijn lichaam kleven). Het is onontbeerlijk de brandwonde OVERVLOEDIG TE BESPROEIEN met lauw water en dit gedurende 30 tot 60 minuten. Het chemisch product moet TER PLAATSE EN ZO SNEL MOGELIJK na het contact VERDUND EN VERWIJDERD worden.
  • Vermijd zo veel mogelijk contact tussen het spoelwater en de gezonde huid.
    Doe de besmette kledingstukken in een plastiekzak om te vermijden dat andere personen zich er zouden aan verbranden.

Uitzonderingen

  • In geval van brandwonden over een grote oppervlakte mag je alleen lauw water (25°C) gebruiken, nooit koud water. Waarom? Om onderkoeling en koudeletsels te voorkomen.
  • In geval van een elektrische verbranding, verwijder het slachtoffer van de elektriciteitsbron VOORALEER te koelen met water. In geval van twijfel schakel eerst de elektriciteit uit.
  • Bepaalde chemische brandwonden noodzaken een specifieke aanpak of kunnen een vergiftiging veroorzaken. Na met koelen te zijn begonnen, neem contact met het Anti Gifcentrum (tel. 070 245 245 – 24u/24) of met de preventieadviseur van uw bedrijf. Bewaar steeds de verpakking van chemische producten die u gebruikt. Indien de patiënt naar een ziekenhuis of brandwondencentrum wordt overgebracht, zorg ervoor om de veiligheidsfiche of verpakking van het product mee te nemen dat de brandwonde heeft veroorzaakt.

Doof brandende kleren en verwijder het slachtoffer van de warmtebron

  • Als iemand zich verbrandt, is het belangrijk dat je de betrokkene onmiddellijk weghaalt van de warmtebron of deze uitschakelt.
  • Wanneer de kleding vlam heeft gevat, dek je het slachtoffer af met een jas, deken of doek.
  • Je kan de persoon ook over de grond rollen of de brandende kleding met water doven.
  • Twee dingen kan je beter niet doen: dek het slachtoffer nooit af met synthetische stoffen en vermijd dat hij bewegingen (vb lopen) maakt die het vuur kunnen aanwakkeren.

Voorbereidende handelingen

  • Kleding
    • Kleding rond de wonde wordt best verwijderd
    • Ingebrande kleding wordt nooit losgetrokken uit de wonde
    • Bij chemische verbranding kleding ALTIJD wegknippen en nooit uittrekken
    • Trek altijd beschermende handschoenen aan bij chemische verbranding
    • Bij koelen onder de douche, desnoods met kleding aan
  • Juwelen en dergelijke
    • Juwelen, horloge worden best onmiddellijk verwijderd
  • Houding
    • Het slachtoffer moet in geval van zware verbranding in een zittende houding gesteld worden (ook bij vervoer)
  • Lichaamstemperatuur
    • Wegens het verlies van huid dient het slachtoffer na het koelen tegen de kou beschermd te worden (vb beschermende folie)

Verzorging van brandwonden: Algemeen

  • Brandwonden verzorgen: een kwestie van hygiëne. Was je handen grondig met zeep vóór iedere behandeling.
  • Om het verband te wisselen: verwijder het oude verband door het aan de buitenkant vast te nemen en het meteen weg te gooien.
  • Om een kleefpleister te verwijderen: hou de omliggende huid met de vrije hand tegen om de pijn te verminderen (vooral bij kinderen en oudere mensen).
  • Verwijder resten van zalf, korsten of etter eerst met water. Hou daarvoor een steriel kompres even onder stromend water, zonder de kraan aan te raken met het kompres.
  • Reinig de wonde altijd met ontsmettend product vooraleer je een verband aanbrengt: kijk eerst naar de vervaldatum! Maak de wonde mooi proper met het ontsmettend product. Dep nadien nog eens goed na met een nieuw kompres met het ontsmettend product.
  • Raak de wonde nooit aan met de vingers en vermijd contact met het verband dat rechtstreeks op de wonde komt. Gebruik, als het kan, wegwerphandschoenen om een nieuw verband aan te brengen.
    Opgelet: trek nieuwe handschoenen aan nadat je het oude verband hebt verwijderd, de wonde hebt ontsmet en de verpakking van het nieuwe verband hebt geopend.
  • Gebruik je een windel, leg die dan niet te strak aan om afbinding, druk en pijn te voorkomen.
    Om een windel rond arm of been aan te leggen, begin je altijd aan de onderkant (het dichtst bij de hand of de voet) en je draait hem naar boven toe. Bij een verbranding aan gewrichten , steeds het verband ruim overlappen met de windel. Zo zal het verband zich niet verplaatsen bij mobiliseren van het gewricht (Bv. elleboog of knie).
verschillende graden van brandwonden
Brandwonden verzorgen: een kwestie van hygiëne

Verzorging van brandwonden: Eerste graad

Kleine wonden

  • Koel 20 minuten af onder fris, stromend water.
  • Kijk de vervaldatum van de tube Flamigel na.
  • Breng een laag van 5 mm Flamigel aan: eerst op het gaaskompres in plaats van rechtstreeks op de wonde. Zo vermijdt je bacteriële besmetting van de tube zalf. Dek de wonde af met het gaaskompres met hydraterende zalf.
  • Bevestig het gaaskompres eventueel met een kleefpleister of met een hydrofiele windel.

Grote wonden (bv. zonnebrand)

  • Koel de huid af onder een lauwe douche.
  • Hydrateer de huid met Flamigel en herhaal dit tot 4 maal per dag tot de roodheid en pijn verdwenen zijn.

Verzorging van brandwonden: Tweede graad

Koelen

  • Koel de huid gedurende 20 minuten onder stromend water.

Blaren behandelen

  • Maak de blaren niet open, zo beperk je de kans op infectie.
  • Als de blaren pijn veroorzaken of door wrijving zouden stukgaan, kan je ze met een steriele naald openprikken en het wondvocht deppen met een steriel, met ontsmettend product doordrenkt depkompres. Laat de huid van de blaar op de wonde. IS TEGENSTRIJDIG: sommigen raden het aan, anderen niet . Wij adviseren steeds om losliggende huid steeds op een steriele of zo hygiënisch mogelijke manier te verwijderen .

Ontsmetten, steentjes en kledingresten verwijderen

  • Breek de top van de flacon Hibidil af en bevochtig een depkompres.
  • Dep de wonde zachtjes en maak hierbij cirkelvormige bewegingen.
  • Gebruik voldoende kompressen om goed te reinigen. Ga niet met een verontreinigd kompres over de al gereinigde zone.
  • Inspecteer de wonde dagelijks.
  • Reinig de huid altijd vooraleer je een nieuw verband aanbrengt. Verwijder voorzichtig alle zalfresten.

Checklist

Is de brandwonde kleiner dan een muntstuk van 2 euro?

  • Verzorg de wonde volgens de algemene werkwijze hierboven beschreven

Is de brandwonde groter dan een muntstuk van 2 euro en vertoont de wonde blaren?

  • Blijf koelen.
  • Raadpleeg jouw huisarts.

Is de brandwonde groter dan een hand?

  • Blijf koelen.
  • Bel het dichtstbijzijnde brandwondencentrum (klik hier voor de contactgegevens). Een opname is waarschijnlijk noodzakelijk.
  • Verwijder geen ingebrande kleding.
  • Breng na 20 minuten koelen een bevochtigd steriel verband aan. Gebruik voor grote brandwonden eventueel een zuiver en gestreken laken of een propere keukenhanddoek.
  • Geef géén pijnstillers. Pijn is een van de belangrijkste indicatoren om de graad van de brandwonde te bepalen.
  • Geef géén eten of drinken.
  • Zorg dat de patiënt niet afkoelt.
  • Het slachtoffer moet zo snel mogelijk naar een brandwondencentrum, ook al duurt de transfer lang. Tijdens de eerste uren wordt het transport immers het beste verdragen. Vrees je voor ademhalingsmoeilijkheden? Vervoer de gewonde dan zittend. Aarzel nooit om beroep te doen op de dienst 100/112 voor de eerste zorgen en het vervoer van de patiënt.

Verwijzingen

Telefoonnummers en adressen van de Belgische brandwondencentra

  • Brandwondencentrum A.Z. Stuivenberg, Lange Beeldekensstraat 267, 2060 Antwerpen, tel. 03 217 75 95
  • Brandwondencentrum Hospitaal Centrum van de Basis Koningin Astrid, Bruynstraat 1, 1120 Brussel, tel. 02 268 62 00
  • Brandwondencentrum U.Z. Gent, De Pintelaan 185, 9000 Gent, tel. 09 332 34 90
  • Brandwondencentrum I.M.T.R., Rue de Villers 1, 6280 Loverval, tel. 071 10 60 00
  • Brandwondencentrum U.Z. Gasthuisberg, Herestraat, 49, 3000 Leuven, tel. 016 34 87 50
  • Brandwondencentrum C.H.U. Sart Tilman, Domaine Universitaire du Sart Tilman, 4000 Liège, tel. 04 366 72 94
  • Stichting Brandwonden, Landrainstraat, 43, 1970 Wezembeek Oppem, tel. 02 649 65 89
  • Antigifcentrum tel. 070 245 245
  • info@brandwonden.be
  • www.brandwonden.be

Brandwonden verzorgingskit

Nodig voor eerste zorgen van brandwonden

  • Om de wonde te ontsmetten:
    • Isobetadine Dermique     125 ml
    • Steriele gaasdeppers     (éénmalig gebruik)
  • Brandwondenzalf:
    • Eerste graad : Flamigel®
    • Oppervlakkig en diep tweede graad : Flaminal® of Flammazine®
    • Om inkleven van de zalf in de wonde te vermijden : Jelonet® vetverband of een vaselineverband
  • Gaaskompressen om de wonde af te sluiten:
  • Kompressen:
    • 10 x 10 cm 4-lagig     (5 stuks)
    • 20 x 30 cm 4 lagig     (2 stuks)
    • 7 x 15 cm 16 lagig     (5 stuks) bij sterk hydraterende wonden
  • Fixatiewindels:
    • Kripwindel 10 cm x 4m (armen en benen)
    • Elastische windel 6cm x 4m ( hand en vingers)
  • Kleefpleister : gemakkelijk verwijderbaar van de huid
  • Handschoenen : zonder onsteriel Latex ( maat 7,5 of large)
  • Verbandschaar + twee pincetten ( éénmalig gebruik)

Jouw apotheker kan jou de meest geschikte producten aanbevelen!

Griep

Wat is het?

Griep wordt veroorzaakt door een virus dat wordt verspreid door de lucht en door direct contact met besmette personen (hoesten, niezen, een hand geven enzovoort). Na besmetting duurt het 1 tot 4 dagen voor de klachten beginnen.

Hoe vaak komt het voor?

Griep komt meestal voor in de winter en de vroege lente. Elke winter krijgt gemiddeld 1 op de 10 mensen griep. De ernst varieert van gewone verkoudheidsklachten tot een ernstige infectie met dodelijke afloop. Elk jaar sterven er nog honderden mensen aan griep. Doorgaans zijn dit mensen met een zwakkere weerstand zoals ouderen en chronisch zieken.

Hoe kun je het herkennen?

Griep duurt doorgaans 3 tot 7 dagen, en wordt gekenmerkt door koorts boven de 38°, spierpijn, hoofdpijn, rillingen, een algemeen ziektegevoel, zweten en uitputting. Droge hoest, keelpijn, afkeer van fel licht en gewrichtspijn kunnen ook voorkomen.
Infecties van de luchtwegen zoals een longontsteking behoren tot de meest voorkomende complicaties. De longontsteking kan veroorzaakt worden door het virus zelf of door bacteriën. Ontsteking van de hartspier en stoornissen van het zenuwstelsel zijn zeldzame gevolgen.
Bij kinderen is het vaak moeilijk om griep te onderscheiden van een gewone verkoudheid.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Je arts zal je grondig ondervragen en onderzoeken. Het beluisteren van de longen is belangrijk om een longontsteking te herkennen. Bij kinderen worden, om een oorontsteking uit te sluiten, ook de oren onderzocht. Meestal is dit voldoende om de diagnose te stellen.
In sommige gevallen gebeurt er een bloedonderzoek en bij hartklachten kan er een elektrocardiogram (ECG) gemaakt worden. Hierbij worden elektroden op het lichaam geplaatst om de elektrische activiteit van het hart te meten.

Wat kun je zelf doen?

Als je tot een risicogroep behoort, is het aanbevolen je elk jaar, tussen midden oktober en half november, te laten vaccineren tegen griep. Dit is belangrijk omdat er elk jaar nieuwe varianten van het griepvirus opduiken. Indien je tot een risicogroep behoort, wordt het vaccin deels door de overheid terugbetaald. Sommige mutualiteiten en werkgevers voorzien zelfs een extra tussenkomst. De vaccinatie gebeurt meestal met een inspuiting in de schouderspier. Bespreek met je arts of je tot een risicogroep behoort.
Groepen die in aanmerking komen voor terugbetaling in België zijn:
– personen van 50 jaar of ouder;
– personen die lijden aan een van de volgende chronische ziekten: hart-, long- of nieraandoeningen, diabetes, hemoglobinopathie (stoornis van de rode bloedcellen);
– personen met een verminderde weerstand (bijvoorbeeld aidspatiënten, mucoviscidosepatiënten, personen met het syndroom van Down, enzovoort);
– professionele kwekers van gevogelte en/of varkens en hun gezinsleden die onder hetzelfde dak leven, en personen die beroepshalve dagelijks in contact komen met levend gevogelte en varkens;
– personen die behoren tot het verzorgend personeel en die in direct contact komen met personen met een verhoogd risico op complicaties (rusthuispersoneel, artsen enzovoort);
– zwangere vrouwen na het eerste trimester van de zwangerschap;
– personen opgenomen in een instelling;
– kinderen tussen 6 maanden en 18 jaar die een langdurige acetylsalicylzuurtherapie (wetenschappelijke naam voor aspirinetherapie) ondergaan.

Bedenk dat je besmettelijk bent vanaf een dag vóór je ziek bent tot een week na het begin van de ziekte. Ook als je niet gevaccineerd bent, zijn er enkele maatregelen die je kans op griep of de kans dat je iemand anders besmet, verkleinen:
– handen goed wassen,
– het gebruik van een mondmasker,
– hand of zakdoek voor de mond houden tijdens hoesten of niezen,
– zakdoeken maar één keer gebruiken,
– harde oppervlakken, deurklinken en keukenapparatuur regelmatig poetsen met een gewoon schoonmaakproduct,
– je arts raadplegen bij klachten.

Wat kan je arts doen?

Je arts zal vooral de nadruk leggen op preventie en de risicogroepen aansporen zich te laten vaccineren. Indien er toch griep wordt vastgesteld, dan is de standaardbehandeling paracetamol en rust. Ontstekingsremmers worden ook gebruikt. Aspirine wordt bij kinderen en adolescenten niet aanbevolen. Antibiotica hebben geen zin omdat griep veroorzaakt wordt door een virus en antibiotica alleen bacteriën doden. Indien er een bijkomende bacteriële infectie is, kunnen ze wel gebruikt worden. Er zijn enkele antivirale middelen op de markt. Het nut van deze geneesmiddelen is nog steeds onduidelijk. Voor- en nadelen moeten door je arts afgewogen worden.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be

www.bcfi.be

www.griepvaccinatie.be

verschenen op 06/12/2013

Droge ogen

Wat is het?

Droogheid van de ogen komt vaak voor als gevolg van een verminderde traanproductie. Dit geeft aanleiding tot een brandend en zanderig gevoel in de ogen, afgewisseld met periodes van tranenvloed. De bindvliezen van het oog raken gemakkelijk geïrriteerd en bloeddoorlopen. Dit zogenaamde drogeogensyndroom kan door uiteenlopende factoren veroorzaakt of in de hand gewerkt worden. De traanproductie kan afnemen door ouderdom en hormonale factoren. Bepaalde aandoeningen van de schildklier kunnen eveneens een oorzaak zijn. Het drogeogensyndroom is ook vaak geassocieerd met een bindweefselziekte, bijvoorbeeld reuma of met bepaalde huidaandoeningen, onder andere psoriasis en sommige vormen van eczema. Het gebruik van bepaalde geneesmiddelen kan eveneens droge ogen uitlokken. Soms treedt bij bindweefselziekten naast droge ogen ook een vermindering van de speekselafscheiding op.

Hoe vaak komt het voor?

De traanproductie neemt af naarmate men ouder wordt. Ook hormonale veranderingen spelen een rol. Zo komt het drogeogensyndroom twee- tot driemaal vaker voor bij vrouwen in de menopauze dan bij mannen.

Hoe kun je het herkennen?

Heb je vaak last van een droog, zanderig of brandend gevoel in de ogen, afgewisseld met tranende ogen, dan kan dat wijzen op het drogeogensyndroom. De klachten zijn ’s ochtends meer uitgesproken omdat de traanproductie ’s nachts nog meer vermindert. De klachten verergeren bij winderig weer (omdat verdamping van het traanvocht dan toeneemt), evenals in een rokerige en stoffige omgeving (omdat het tekort aan traanvocht de ogen minder beschermt). Bij sommige mensen treden de klachten alleen op in een ruimte met airconditioning, omdat de luchtstroom verdamping in de hand werkt (het ‘kantooroogsyndroom’ bijvoorbeeld op het werk). De oogbindvliezen (dit is het oogwit en de binnenkant van de oogleden) kunnen er geïrriteerd en bloeddoorlopen uitzien.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Ondervind je hinder, dan stap je best naar de huisarts. Hij zal je zorgvuldig ondervragen over de aard en het voorkomen van de klachten. Hij zal ook onderzoek doen naar eventuele onderliggende aandoeningen, zoals hormonale stoornissen, bindweefselziekten of bepaalde huidaandoeningen. Hij zal de bijwerkingen van je medicatie controleren.
Mogelijke technische onderzoeken zijn:
– penlichtonderzoek van het oog, waarbij kan worden vastgesteld dat het oog er droog uitziet en dat er geen traanvocht zit op de rand van het onderste ooglid. In ernstige gevallen kunnen er afwijkingen te zien zijn ter hoogte van het hoornvlies.
– Schirmertest, waarbij speciale papieren filterstroken worden gebruikt. Na lokale verdoving van het oog (om tranenvloedreflex te voorkomen) worden deze filterstroken aangebracht ter hoogte van het onderste ooglid van beide ogen zodanig dat de strook naar beneden hangt. Na 5 minuten worden de filterstroken verwijderd en wordt de afstand in millimeter gemeten van het door tranen bevochtigde deel van de filterstrookjes. Het drogeogensyndroom wordt gediagnosticeerd bij een Schirmertestresultaat van minder dan 5-10 mm in 5 minuten.
Je wordt doorverwezen naar een specialist wanneer vochtinbrengende oogdruppels en gels (kunsttranen) als behandeling niet volstaan, of wanneer je huisarts een ernstige onderliggende aandoening vaststelt of vermoedt.

Wat kun je zelf doen?

Vermijd zo veel mogelijk uitlokkende of verergerende factoren zoals wind, rook, stof, airconditioning.
Was de ogen ’s ochtends niet met water. Dit geeft misschien wel een goed gevoel, maar het verergert de symptomen op langere termijn.
Een luchtbevochtiger kan helpen.
In ernstige gevallen kan de verdamping worden tegengegaan door een duikbril te gebruiken.
Vertel je arts welke medicatie je neemt.

Wat kan je arts doen?

Medicijnen geven verlichting, maar nemen de oorzaak niet weg. De arts kan je vochtinbrengende oogdruppels en gels (kunsttranen) voorschrijven. Er zijn tientallen verschillende producten beschikbaar. Aangezien hun effect sterk kan verschillen van persoon tot persoon is het aan te raden om verschillende producten uit te proberen en het meest doeltreffende verder te gebruiken. Bij gebruik op lange termijn of wanneer de ogen erg droog zijn, geeft men de voorkeur aan pipetten voor eenmalig gebruik zonder bewaarmiddelen.

Bron

www.ebmpracticenet.be