Zijn smartphone-adepten vaker depressief?

foto bij artikel Zijn smartphone-adepten vaker depressief?

In het nieuws

Wie vaak de mobiele telefoon ter hand neemt, zou wel eens vatbaar kunnen zijn voor depressie, zo ontdekten wetenschappers. Depressieve personen zijn gemiddeld vier keer meer met hun telefoon bezig dan personen die zich mentaal goed voelen.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Het nieuws is afkomstig van een kleine Amerikaanse studie bij 40 mensen tussen 19 en 58 jaar (1). Hen werd gevraagd om gedurende twee weken hun smartphone continu op zak te hebben en een app (‘Purple Robot’) te downloaden die hun gebruik en verplaatsingen (gps) registreert. Bij aanvang van de studie vulden alle deelnemers een vragenlijst in die polst naar depressieve klachten en sombere stemmingen. Wie daarop een score van kleiner dan 5 haalt, zit goed in zijn vel, terwijl de gemoedsgesteldheid bij hogere waarden (tot 27) in negatieve zin wijzigt.

De onderzoekers verdeelden de deelnemers in twee groepen: de eerste groep meldde helemaal geen sombere stemming (score < 5) en de tweede groep had milde depressieklachten (score gemiddeld 9,6). Na twee weken werd gekeken naar zowel smartphone-gebruik als uithuizigheid. De onderzoekers stelden vast dat mensen die zich minder goed in hun vel zitten, vaker thuis vertoeven en hun smartphone frequenter gebruiken dan mensen die zich goed voelen.

Bron

(1) Saeb S, Zhang MI, Karr CJ, et al. Mobile Phone Sensor Correlates of Depressive Symptom Severity in Daily-Life Behavior: An Exploratory Study. Journal of Medical Internet Research

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Uiteindelijk konden de onderzoekers slechts beschikken over gegevens van 28 deelnemers, de andere hadden om diverse redenen afgehaakt. Dit is een erg kleine groep om conclusies te trekken. Bovendien liet de app die het telefoongebruik registreert niet toe een onderscheid te maken tussen bellen, sms’en of surfen: het kan best zijn dat mensen met sombere gevoelens vaker of langer met iemand bellen. De mate van uithuizigheid is evenmin bruikbaar, vermits de onderzoekers niet in kaart brachten of de deelnemers al dan niet een baan buitenshuis hadden. Ook wisten ze niet of de smartphone enkel privé of ook professioneel gebruikt werd. Ten slotte is niet bekend of de twee groepen deelnemers, onafgezien van hun mentale score, wel vergelijkbaar waren.

De vele onbekende factoren maken het onmogelijk om conclusies te trekken uit dit onderzoek.

Conclusie

Deze studie kan niet aantonen dat er een verband bestaat tussen je minder goed voelen en vaker je smartphone gebruiken.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/07July/Pages/Weak-link-between-depression-and-frequent-smartphone-use.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 23/07/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Kan ik me laten testen op voedselintolerantie?

foto bij artikel Kan ik me laten testen op voedselintolerantie?

Door u gekozen

Bepaalde voedingsmiddelen niet kunnen verdragen, ook niet in normale hoeveelheden, is een veel gehoorde klacht. Bestaat er een diagnostische test?

Wat is hierover geweten?

Er bestaan twee vormen van voedselovergevoeligheid: allergische (voedselallergie) en niet-allergische (voedselintolerantie). Bij een voedselallergie maakt het afweersysteem specifieke antistoffen aan tegen eiwitten die in de voeding voorkomen. Wanneer een allergische vorm van voedselovergevoeligheid vermoed wordt, kan deze eventueel geëvalueerd worden door middel van een provocatietest waarbij het vermoedelijk allergeen (het eiwit waaraan men allergisch is) onder gecontroleerde omstandigheden wordt toegediend, onder het toeziend oog van een specialist. De meeste voedselovergevoeligheden zijn echter niet-allergisch: dat zijn de voedselintoleranties (1). Naar schatting 10% van de bevolking heeft klachten die doen denken aan een voedselintolerantie. Hierin speelt het afweersysteem geen rol en worden geen antistoffen aangemaakt tegen bepaalde eiwitten uit het voedsel. Er bestaat geen test om na te gaan of iemand overgevoelig reageert op bepaald voedsel. Het komt er op neer te merken welke voedingsingrediënten of –middelen bepaalde klachten uitlokken. Als dat herhaaldelijk gebeurt, kan dit wijzen op overgevoeligheid. Lactose-intolerantie is één van de meest frequente voedselintoleranties: kenmerkende klachten zijn buikkrampen, diarree en winderigheid na inname van melk (2).

De diagnose van voedselintolerantie is gebaseerd op een vraaggesprek tussen arts en patiënt. Vervolgens kan een diëtist een gedetailleerde bevraging van het voedingspatroon uitvoeren.

Bron

(1) http://www.gezondheidenwetenschap.be/onderwerpen

Hoe kunnen we dit interpreteren?

Vermits er geen test bestaat, is observatie de enige manier om voedselintolerantie op het spoor te komen. Wat het extra moeilijk maakt: de klachten van voedselallergie en niet-allergische voedselovergevoeligheid lijken op elkaar. In het algemeen zijn deze van niet-allergische voedselovergevoeligheid wel milder en komen ernstige reacties niet voor. Echte voedselallergieën kunnen daarentegen gevaarlijk zijn. D

e hoeveelheid voedsel die klachten veroorzaakt, verschilt ook per persoon. Kleine hoeveelheden voedsel worden soms getolereerd, terwijl normale porties klachten kunnen veroorzaken. Je kan bijvoorbeeld één koekje tolereren, terwijl meerderde koekjes maagpijn veroorzaken.

Conclusie

Voedselintolerantie betekent dat je klachten ontwikkelt na inname van een bepaald voedingsmiddel of –ingrediënt, zonder dat je daaraan allergisch bent. Er bestaat geen diagnostische test.

Referenties

(2) http://www.gezondheidenwetenschap.be/richtlijnen/lactose-intolerantie

https://www.nhg.org/standaarden/volledig/nhg-standaard-voedselovergevoeligheid#idp13083680

http://www.gezondheidenwetenschap.be/richtlijnen/voedselallergie-en-overgevoeligheid-bij-kinderen

klokje bij datum van publicatie verschenen op 24/07/2015 | Cebam | geschreven door Marleen Finoulst

Eens dik, altijd dik?

foto bij artikel Eens dik, altijd dik?

In het nieuws

‘Eens dik, altijd dik’, lazen we in de krant. Wie te dik is, kan mits de nodige inspanningen misschien wel een aantal kilogram vermageren, maar dat overtollig gewicht er op lange termijn ook afhouden is een ander paar mouwen.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Britse onderzoekers volgden op basis van het huisartsendossier het gewicht van 175.000 mensen over een periode van bijna 10 jaar (1). Van diegenen met obesitas (gedefinieerd als een Body Mass Index van minstens 30) slaagde de helft erin om op een bepaald ogenblik 5% in gewicht af te vallen. Hooguit 2% bereikte ooit terug een normaal gewicht. Van mensen die er ooit in slaagden om iets af te vallen, kwam dat gewicht er bij de helft binnen de 2 jaar terug bij.

Bron

(1) Fildes A, Charlton J, Rudisill C, Littlejohns P, Prevost AT, Gulliford MC. Probability of an Obese Person Attaining Normal Body Weight: Cohort Study Using Electronic Health Records. Am J Public Health. 2015 Jul 16:e1-e6.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Om de mate van overgewicht te becijferen gebruikt men de Body Mass Index of BMI. Deze berekent men door het lichaamsgewicht te delen door het kwadraat van de gestalte. Het kwadraat van 1,75 (1,75 x 1,75) is ongeveer 3. Iemand van 1,75 meter en een gewicht van 90 kg heeft dus een BMI van 90/3 = 30. Indien deze persoon een BMI van 25 wil bereiken, wat beschouwd wordt als een normaal lichaamsgewicht, dan moet hij aan 75 kg komen en dus 15 kg afvallen. Een gewichtsverlies van 5% komt bij hem neer op 4,5 kg.

De Britse studie toont aan dat zeer weinig mensen met obesitas ooit terug een normaal lichaamsgewicht krijgen. Van diegenen die erin slagen om enkele kilogram te vermageren, komen de kilo’s er naderhand vaak terug bij. De auteurs van de studie besluiten dat de inspanningen die Britse huisartsen doen om hun patiënten te doen vermageren weinig doeltreffend zijn.

De sterkte van deze studie zit erin dat een grote groep mensen gedurende relatief lange tijd opgevolgd werden. Bovendien werden de cijfers getrokken uit een medisch dossier. Men kan ervan uitgaan dat deze nauwkeuriger zijn dan wat mensen bij een klassieke enquête als lichaamsgewicht zouden opgeven. Een van de zwaktes van de studie is dat ze betrekking heeft op patiënten (en niet op jan-met-de-pet). Verder weet men niet of de patiënten met overgewicht de intentie hadden om te vermageren en welke aanbevelingen hun huisarts hiervoor dan wel gegeven had.

Conclusie

Obesitas heeft ongetwijfeld een nadelig effect op de gezondheid. Duurzaam vermageren blijkt evenwel een moeilijke opdracht voor wie eenmaal dik geworden is. In de hogergenoemde studie komt men tot het besluit dat inspanningen om de obesitasepidemie aan te pakken zich niet mogen beperken tot de medische sfeer. Een andere aanpak meer gericht op voedingsgewoonten op jonge leeftijd en op de samenstelling van en het aanbod van voedingswaren, zijn mogelijk doeltreffender.

klokje bij datum van publicatie verschenen op 27/07/2015 | Cebam | geschreven door Hans Van Brabandt

Werkt placebo ook als je weet dat het placebo is?

foto bij artikel Werkt placebo ook als je weet dat het placebo is?

In het nieuws

Als je vindt dat een therapie werkt, en je hoort achteraf dat het om een nepproduct gaat, dan blijft het toch nog effect hebben. Dat blijkt uit nieuw onderzoek.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Amerikaanse onderzoekers voerden een reeks experimenten bij 40 gezonde volwassenen (mannen en vrouwen). Ze wilden nagaan of een pijnstillende crème blijft werken als mensen verteld wordt dat het om een nepproduct gaat (1).

De proefpersonen kregen een pijnlijke warmte-impuls op de voorarm. Om de pijn te verzachten, werd vooraf een pijnstillende crème aangebracht: ofwel een nepgel (vaseline), ofwel een actieve gel. Althans dat werd hen wijs gemaakt, want de zogenaamde actieve gel was in werkelijkheid vaseline met een blauwe kleurstof, ook nep dus. De proefpersonen moesten na iedere puls aangeven op een pijnschaal hoeveel pijn ze ervoeren. Tijdens het eerste experiment werd de blauwe crème als pijnstillend ervaren in vergelijking met de controlegel. Sommige proefpersonen werd verteld dat de blauwe crème in werkelijkheid ook nep was: voor hen werkte het placebo-effect niet meer bij de tweede warmte-puls. Anderen kregen 4 warmte-pulsen waarbij ze telkens geloofden dat de blauwe gel een pijnstiller bevatte. Pas na de vierde keer kregen zij te horen dat deze gel ook nep was. Toch bleek het placebo-effect nog steeds te werken bij de vijfde pijn-puls: mensen die erin geloofd hadden, voelden ook nu minder pijn.

De onderzoekers besloten dat wanneer proefpersonen verwachten dat een gel pijnstillend werkt, dit effect overeind blijft nadat hen onthuld werd dat het eigenlijk om een placebo gaat. Op voorwaarde dat ze dit enkele keren zo ervaren hebben.

Bron

(1) Schafer SM, Colloca L, Wagner TD. Conditioned Placebo Analgesia Persists When Subjects Know They Are Receiving a Placebo. The Journal of Pain. Published online January 22 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om een beperkt onderzoek bij een kleine groep mensen, wat een zwak punt is. De resultaten suggereren dat mensen tijd nodig hebben om te ervaren dat een placebo werkt en zodra ze dit geloven, het effect blijft, zelfs nadat ze te weten komen dat het om een placebo gaat. Hier speelt duidelijk een vorm van conditionering mee: wanneer je een gunstig effect verwacht, dan krijg je dat ook. Deze theorie moet bevestigd worden in grootschaliger onderzoek en biedt perspectieven voor het afbouwen van verslavende medicijnen.

Conclusie

Experimenten suggereren dat mensen die uit ervaring overtuigd zijn dat een medicijn werkt, het gunstige effect blijven ervaren, ook nadat hen verteld werd dat het om een placebo gaat.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/07July/Pages/The-placebo-effect-can-still-work-even-if-people-know-its-a-placebo.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 28/07/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Amenorree (afwezigheid van menstruaties)

Wanneer je je menstruaties niet doorkrijgt, noemt men dat amenorree. Men onderscheidt twee vormen: primaire amenorree wanneer je nog nooit gemenstrueerd hebt en secundaire amenorree wanneer je maandstonden uitblijven terwijl je eerder wel regelmatige menstruaties had.

Primaire amenorree (het uitblijven van de menstruatie)

Wat is het?
Bij primaire amenorree is het vaak zo dat de eierstokken niet goed functioneren door een aangeboren afwijking, bijvoorbeeld ter hoogte van de baarmoeder, eileiders of eierstokken, door een probleem in de hersenen, in de werking van het lichaam of doordat je te hard hebt gevast (anorexia) of te veel hebt gesport. Ook hormonale stoornissen of overgewicht kunnen een oorzaak zijn.
In twee gevallen moet je verder worden onderzocht:
– je bent minstens 16 jaar en je hebt nog nooit gemenstrueerd, terwijl je puberteit verder normaal verloopt;
– je bent 13 of 14 jaar en hebt nog nooit gemenstrueerd en je hebt geen andere tekenen van puberteit (borstontwikkeling of schaamhaar).

Hoe kun je het herkennen?
Wanneer je menstruatie niet gestart is op je 16 jaar of je hebt geen enkel teken van puberteit op je 13 of 14 jaar, dan heb je primaire amenorree.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?
Op basis van je verhaal, zal de arts de diagnose stellen. Je huisarts zal dan je groei bekijken en tekenen van je puberteit nagaan. Deze gegevens zal hij aftoetsen aan je medische voorgeschiedenis en aan de informatie over het verloop van de puberteit van je ouders. Je wordt vervolgens doorverwezen naar een kinderarts of gynaecoloog.

Wat kun je zelf doen?
Normaal eten, zorgen voor een normaal lichaamsgewicht, en niet overdrijven met sport. Als je intensief en veel sport, moet je zeker voldoende eten.

Wat kan je arts doen?
De huisarts zal je doorverwijzen naar een specialist voor aanvullende onderzoeken om de precieze oorzaak van de afwezige menstruaties te achterhalen.

Secundaire amenorree (het wegblijven van de menstruatie)

Wat is het?
Blijven je maandstonden gedurende een drietal cycli of meer dan 6 maanden weg, dan noemt men dat secundaire amenorree. Dit kan veroorzaakt worden door zwangerschap, intrede van de overgang (menopauze), hormonale problemen in de hersenen of ter hoogte van schildklier of eierstokken. Ook bepaalde medicatie, zwaar overgewicht of felle vermagering, overmatig sporten en stress kunnen een aanleiding zijn.

Hoe kun je het herkennen?
Wanneer je maandstonden meer dan 3 cycli of meer dan 6 maanden wegblijven, dan heb je secundaire amenorree.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?
Als je menstruatie uitblijft en je de datum kent van je laatste menstruatie, kan de arts op basis van je verhaal de diagnose van secundaire amenorree stellen. Via bijkomende vragen en een bloedonderzoek probeert hij de oorzaak te achterhalen.

Wat kun je zelf doen?
Als je meer dan 4 weken je maandstonden niet hebt gehad, en je mogelijk zwanger bent, laat dan een zwangerschapstest doen. Merk je bepaalde lichamelijke of psychologische veranderingen zoals overdreven vermoeidheid, humeurigheid, melkverlies uit de tepels of abnormale gewichtsschommelingen, aarzel dan niet om dat te melden aan je arts. Wil je vermageren, ga dan niet extreem diëten of overdreven sporten, maar laat je hierbij zo nodig professioneel begeleiden. Ook de aanpak van stress kun je met je huisarts bespreken.

Wat kan je arts doen?
Een bloedonderzoek is nodig om zwangerschap uit te sluiten en hormonale problemen op te sporen. Je huisarts zal je eventueel een hormonenkuur voorschrijven om je menstruatie uit te lokken. Soms zal hij je naar een gynaecoloog en/of endocrinoloog (specialist van de hormonen) verwijzen.
Bij zeer uitgesproken overgewicht kan dieetbegeleiding nodig zijn. Is stress of medicatie de oorzaak, dan zal je arts dit samen met jou bespreken.

Bron

www.ebmpracticenet.be 

verschenen op 06/12/2013

Veilig gebruik van ontstekingsremmers (NSAID’s)

Wat is het?

Niet-steroïdale anti-inflammatoire middelen (NSAID’s) zijn ontstekingremmende geneesmiddelen die ook pijnstillend en koortswerend werken. NSAID’s zijn vooral werkzaam bij ontstekingen van het bewegingsapparaat, acute rugpijn, nierkolieken of pijn veroorzaakt door een acuut letsel.
De ongewenste effecten van NSAID’s zijn echter frequent en mogelijk ernstig, vooral bij ouderen en mensen die ooit een maagzweer hebben gehad. Het is dus heel belangrijk om ze op een veilige manier te gebruiken (correcte toepassing, beperkte behandelingsduur, zo laag mogelijke dosis) en je hierbij te laten adviseren door een arts.

Hoe vaak komen bijwerkingen met NSAID’s voor?

Bij gebruik van NSAID’s treden vaak bijwerkingen op. De voornaamste worden hierna overlopen (frequentie staat tussen haakjes vermeld):

Maag-darmsysteem
Buikklachten (bij 10-30% van de gebruikers), maag-darmzweren al dan niet gepaard gaand met een bloeding (3-5/1000 gebruiksjaren) en darmbeschadiging (3-4/1000 gebruiksjaren) behoren tot de meest voorkomende bijwerkingen. Maar liefst 1 op 4 mensen die langdurig een NSAID innemen, ontwikkelt een moeilijk genezende maag- of darmzweer. Risicofactoren voor een ernstiger verloop zijn hogere leeftijd, maagzweer in de voorgeschiedenis, gebruik van meer dan 1 NSAID of een hoge dagelijkse inname van een bepaald NSAID en gelijktijdige behandeling met antistollingsmiddelen, corticosteroïden of bepaalde antidepressiva.

Nieren
Verminderde nierwerking met risico op nierfalen (<1 per miljoen gebruikers), vochtophoping en verhoogde bloeddruk (1-9% van de gebruikers). Deze ongewenste effecten treden vooral op bij mensen die al een verminderde nierwerking hadden.

Luchtwegen
Zo’n 10 tot 20% van de mensen met astma ontwikkelt bronchospasmen. Dat is het samentrekken van de spieren rond de luchtpijp waardoor je kortademig kunt worden. Dit kan heel ernstig zijn. Daarom is het absoluut verboden voor mensen die ooit een ernstige astma-aanval hebben gehad om NSAID’s te nemen.

Hart
Gebruik van NSAID’s kan het risico op een hart- of herseninfarct doen stijgen (1-4/1000 gebruiksjaren). NSAID’s kunnen bij mensen met een hart- en vaatziekte aanleiding geven tot hartfalen of kunnen bestaand hartfalen verergeren. Voor sommige NSAID’s is dat meer het geval dan voor andere.

Leverbeschadiging
Bij minder dan 1 per miljoen gebruikers.

Vruchtbaarheid
Langetermijngebruik zou bij de vrouw aanleiding kunnen geven tot verminderde vruchtbaarheid.

Wat kun je zelf doen?

Ga verantwoord om met het gebruik van NSAID’s. Vraag raad aan je arts of apotheker.

Wat kan je arts doen?

De arts bekijkt steeds of een ontstekingsremmer de beste keuze is om je klachten te verlichten. Hij houdt hierbij rekening met je medicatiegebruik en specifieke voorgeschiedenis. De voordelen van NSAID’s moeten altijd afgewogen worden tegen de mogelijke risico’s.
Soms bestaat er een geschikter en veiliger alternatief, zoals paracetamol voor pijn bij artrose. Werkt paracetamol onvoldoende of er is ook een ontsteking aanwezig, dan zal je arts beslissen of een NSAID al dan niet de beste keuze is.
De arts zal je goed informeren over eventuele bijwerkingen die kunnen optreden en wat je dan het best doet. Zo kan het raadzaam zijn om gelijktijdig maagbeschermers te nemen. Als alternatief kan men ook kiezen voor een selectief NSAID met minder risico op maag-darmproblemen.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
www.bcfi.be
www.fagg-afmps.be/nl/

verschenen op 30/06/2015

Vasculitis (ontsteking van de bloedvaten)

Wat is het?

Vasculitis is een aandoening waarbij het eigen immuunsysteem de bloedvaten aanvalt. Hierdoor geraken de bloedvaten ontstoken en beschadigd. Afhankelijk van de grootte en de plaats van de aangetaste bloedvaten, zijn er veel verschillende vormen met zeer diverse beelden. Het zijn dikwijls ernstige aandoeningen, maar meestal wel behandelbaar.

Hoe vaak komt het voor?

Vasculitis is een zeer zeldzame aandoening.

Hoe kun je het herkennen?

Vasculitis is erg moeilijk om te herkennen. Daarom wordt de diagnose vaak pas laat gesteld.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Er zijn tal van symptomen die verband kunnen houden met vasculitis:
– koorts,
– gewichtsverlies,
– voelbare onderhuidse bloedingen,
– spierpijn,
– gewrichtspijn,
– herseninfarct of hersenbloeding,
– neusbloedingen,
– sinusitis,
– ophoesten van bloed,
– longinfecties,
– astma,
– hartinfarct,
– verhoogde bloeddruk,
– problemen bij het stappen van enkele 100 meter (pijn in de benen),
– zwakke pols,
– buikpijn,
– bloed in de stoelgang,
– nierontsteking.
Vermoedt de arts na het bevragen van de symptomen en het uitvoeren van een klinisch onderzoek een vasculitis, dan kan een bloedonderzoek hem helpen om de diagnose te bevestigen en om te bepalen om welke vasculitis het gaat. De verschillende soorten worden ingedeeld naargelang de grootte van de aangetaste bloedvaten:

Vasculitis van de grote bloedvaten
– Arteriitis temporalis: symptomen zijn hoofdpijn, problemen met het zicht en stoornissen in de hersencirculatie. Minstens de helft van de getroffenen heeft op een bepaald moment last van spier- en gewrichtspijn ter hoogte van schouder- en bekkengordel.
– Takayasu-arteritis: beschadiging van de aorta en hoofdtakken; komt voor bij vrouwen van Aziatische afkomst.

Vasculitis van de kleine en middelgrote bloedvaten
– Polyarteritis nodosa treft vaak mannen van middelbare leeftijd. Omdat de ontsteking in verschillende bloedvaten kan optreden, kan een hele waaier aan mogelijke klachten optreden.
– Microscopische polyangiitis gaat meestal gepaard met nierfilterontsteking.
– Ziekte van Wegener: uit zich in met koorts, gewichtsverlies en klachten van bovenste luchtwegen zoals sinusitis of bloedneus. Mensen met deze vorm hoesten etterig of bloederig slijm op. Verschillende orgaansystemen kunnen aangetast worden waaronder de nieren.
– Churg-Strausssyndroom is een zeldzame ziekte, die voorkomt bij mensen met astma of een voorgeschiedenis van allergie.
– Ziekte van Kawasaki wordt gekenmerkt door hoge koorts bij zuigelingen en jonge kinderen, die gepaard gaat met huiduitslag en onder andere veranderingen in de mond, handen of voeten.

Vasculitis van de kleine bloedvaten
– Henoch-Schönlein purpura treft meestal kinderen die recent een bovenste luchtweginfectie hebben doorgemaakt. Nier-, darm- en gewrichtslast kan optreden, maar doorgaans herstellen de klachten spontaan.
– Geassocieerd met bindweefselziekten.
– Gemengde cryoglobulinaemie (ophoping van abnormale eiwitten in het bloed).
– Geassocieerd met infecties.
– Geassocieerd met geneesmiddelenallergie.
– Geassocieerd met kanker.

Wat kun je zelf doen?

Contacteer je arts bij optreden van één of meerdere van bovenstaande klachten. Je arts zal je grondig onderzoeken en oordelen of een vasculitis een oorzaak kan zijn van je klachten.

Wat kan je arts doen?

Als je huisarts een vasculitis vermoedt, zal hij je doorverwijzen naar een specialist. De behandeling bestaat uit geneesmiddelen die het afweersysteem onderdrukken, en is vooral afhankelijk van het type vasculitis en de organen die erdoor aangetast zijn.

Meer weten?

http://www.vasculitis.nl
www.cibliga.be

Bronnen

www.ebmpracticenet.be

verschenen op 10/07/2015