De ziekte van Lyme (Lyme Borreliose)

Wat is het? 

Teken en bacteriën
De ziekte van Lyme of Lyme Borreliose is een infectie die veroorzaakt wordt door de Borrelia-bacterie. De meest voorkomende soort is de Borrelia Burgdorferi. In Europa komen er ook nog andere soorten voor. Deze bacteriën worden overgedragen via een beet van een teek.
De ziekte van Lyme kun je alleen oplopen wanneer je gebeten wordt door een besmette teek. Hoe langer een besmette teek aanwezig is op het lichaam, hoe groter de kans op een infectie. Maar niet lang alle teken zijn besmet met de Borrelia-bacterie.
Een teek is een spinachtig diertje dat zich voedt met bloed van mensen en dieren. Zonder bloed kan een teek zich niet ontwikkelen en zich evenmin voortplanten. Teken leven in struiken, op grassprieten en bomen. Zodra zich een geschikte gastheer aandient, laten ze zich vallen en bijten ze zich vast in de huid. Ze verplaatsen zich meestal tot ze het meest geschikte plekje op het lichaam gevonden hebben. Dat is bij mensen vaak in de huidplooien (zoals de liezen). Ze kunnen zich ook vastbijten ter hoogte van de armen, benen en behaarde hoofdhuid.
Teken komen wereldwijd voor. Ook in België leven er een aantal soorten. Slechts enkele brengen ziektekiemen zoals Borrelia Burgdorferi over. Deze soorten zijn voornamelijk actief van begin maart tot eind oktober.

Verloop van de ziekte van Lyme
De ziekte van Lyme verloopt in verschillende fasen. De eerste fase (of vroege fase) wordt gekenmerkt door een huidletsel. Enkele dagen of zelfs enkele weken na een tekenbeet verschijnt er een typische huiduitslag rond het letsel. De huiduitslag is niet pijnlijk. In bepaalde gevallen kan ze wel lichte jeuk of een brandend gevoel geven. Tijdens de eerste dagen kan de zone rond het letsel volledig rood zijn. Typisch is dat de roodheid uitbreidt naar buiten toe, waarbij de kern van de huiduitslag opklaart en opnieuw de huidskleur krijgt. De huiduitslag kan zeer uitgebreid zijn, tot een diameter van meer dan 20 centimeter. Deze huiduitslag wordt vaak verward met de rode uitslag rond de beet, veroorzaakt door het speeksel van de teek. Die verdwijnt doorgaans binnen enkele dagen. De roodheid van de huiduitslag na de beet van een besmette teek kan weken, en zelfs tot een maand of langer, aanhouden. Huiduitslag met een diameter van minstens 5 cm rond de plaats van een tekenbeet wijst zeer waarschijnlijk op de ziekte van Lyme.
Tijdens deze vroege fase kunnen er griepachtige klachten optreden, zoals vermoeidheid, algemeen ziektegevoel of lichte koorts. Het is ook mogelijk dat er geen huiduitslag is of althans niet wordt opgemerkt, zelfs bij een actieve Borrelia-infectie. Een ‘zomergriepje’ kan dan wijzen op een Borrelia-infectie. Als deze infectie niet tijdig wordt opgemerkt, kan de ziekte zich verder in het lichaam verspreiden. Andere klachten kunnen dan optreden, zoals hartklachten, gewrichtspijnen, oogproblemen, zenuwpijnen, tot zelfs verlammingen en hersenvliesontsteking.

Hoe vaak komt het voor? 

Hoe vaak de ziekte van Lyme voorkomt, verschilt zeer sterk van land tot land, en zelfs van regio tot regio. In gebieden waar behoorlijk wat teken leven, kunnen er jaarlijks tot 1500 per 100 000 mensen de ziekte van Lyme oplopen.

Hoe kun je het herkennen? 

Het is belangrijk te weten dat symptomen soms dagen tot weken na een tekenbeet optreden. Zie je op de plaats van de tekenbeet een rode huiduitslag die binnen enkele dagen groter wordt en/of voel je je grieperig enkele dagen na een tekenbeet, dan is het mogelijk dat je de ziekte van Lyme hebt.

Wat kun je zelf doen? 

Preventie
Preventie van tekenbeten is de belangrijkste maatregel. Indien je gaat wandelen in een bos- of grasrijke omgeving, informeer je dan eerst of er veel teken voorkomen. Gebruik bij voorkeur het midden van het voetpad (het meest platgetreden deel) bij het lopen op een vochtig en grasrijk terrein. Draag een lange broek, liefst een licht gekleurde om teken beter te kunnen zien. Je kunt je broekspijpen in de sokken steken om je benen beter af te dekken. Laat kinderen een pet dragen. Je kunt je benen insmeren met insectenafwerende stoffen zoals bijvoorbeeld DEET (let hierbij wel op de verschillende dosissen voor volwassenen en kinderen!).

Gebeten door een teek?
Ben je gebeten door een teek, dan kun je die gerust zelf verwijderen als je volgende regels in acht neemt:
– Inspecteer na het wandelen goed je oksels, liezen en hoofdhuid. Laat je hierbij desnoods helpen. Het is belangrijk te onthouden dat een teek moet worden verwijderd op de eerste dag.
– Teken verwijder je het best met een speciale tekentang. Die kun je kopen bij de apotheek.
– Heb je geen tekentang in de buurt, dan kun je proberen de teek met de vingers te verwijderen.
– Probeer bij het verwijderen de teek zo dicht mogelijk tegen je huid bij de kop vast te houden; knijp niet in het achterlichaam.
– Na het verwijderen van de teek ontsmet je de huid best met een povidonjoodoplossing of met alcohol en noteer je de dag van de beet.
Contacteer zeker je arts wanneer de teek langer dan 24 u op je huid vastzat. Doe dat ook wanneer je een rode, toenemende huiduitslag ziet op de plaats van een tekenbeet.

Hoe stelt je arts de diagnose? 

Je arts zal je vragen stellen en je onderzoeken. Op basis hiervan kan hij inschatten of je mogelijk de ziekte van Lyme hebt. Hij kan je ook helpen om de teek te verwijderen als het zelf niet lukt.
Men kan in het bloed zien of je de ziekte van Lyme hebt. Maar niet tijdens of net na een beet. Het duurt immers een tijdje vooraleer er Borrelia-antistoffen in het bloed verschijnen. Het kan dus zijn dat je arts je vraagt om na een tweetal weken terug te komen voor een bloedonderzoek.

Wat kan je arts doen? 

Een tekenbeet zonder het typische rode huidletsel hoeft niet behandeld te worden. Bij vermoeden van de ziekte van Lyme kan de arts antibiotica voorschrijven. Meestal is dit dan voor een lange periode van twee tot drie weken. Zwangere vrouwen krijgen doorgaans sneller antibiotica, meestal in samenspraak met de gynaecoloog.

Bronnen 

www.ebmpracticenet.be
www.zorg-en-gezondheid.be/folder Teken
www.thuisarts.nl
www.tekenradar.nl
LCI richtlijn Lymeziekte

Borstvoeding: advies bij moeilijkheden

Enkele algemeenheden

Er bestaat haast geen twijfel over dat borstvoeding voor je kindje in bijna alle gevallen de beste keuze is. De voordelen zijn goed gekend. Er bestaat geen betere melk voor je kindje. Moedermelk bevat immers alle nodige voedingsstoffen zoals suikers, mineralen, eiwitten en vitamines en dit in de meest optimale verhouding. Bovendien bevat moedermelk extra beschermende antistoffen die je kindje een grotere bescherming bieden tegen allerlei infecties.
Borstvoeding geven is niet altijd even vanzelfsprekend. Er kunnen onverwachte moeilijkheden opduiken. Als kersverse mama word je meestal overstelpt met tips over borstvoeding. Mede daardoor krijg je vaak nog meer vragen en kunnen er twijfels opduiken. Erover lezen en erover praten met anderen helpt altijd. Goed voorbereid en geïnformeerd zijn, is belangrijk om de borstvoedingsperiode goed door te komen.
Frequent borstvoeding geven op verzoek van je kindje is tijdens de eerste dagen heel belangrijk voor het slagen van borstvoeding. Het bevordert de melkproductie.
Melkproductie verloopt in bepaalde fasen. De coördinatie en organisatie van deze fasen worden geregeld door hormonen. Op het moment van de geboorte produceert de borst van mama een eiwitrijk, eerder stroperig vocht. Dit vocht noemt men ‘colostrum’ en volstaat als voeding tijdens de eerste dagen. Je baby beschikt bovendien over een goede voorraad reservestoffen. Na een paar dagen begint een ander hormoon, het prolactine, de overhand te nemen en zo komt er melk in de borst. Hoe frequenter je aanlegt ‘op vraag van je baby’, hoe sneller je deze fase bereikt. Krijgt je kindje uitsluitend borstvoeding, dan moet je er ook voor zorgen dat het voldoende voeding binnenkrijgt. Dit kun je nagaan door het aantal natte en vuile luiers te tellen. Als vuistregel kun je stellen dat er gedurende de eerste 24 uur een tweetal natte luiers moeten zijn. De eerste 4 dagen stijgt het aantal natte luiers tot ongeveer 5. Na 7 dagen zijn er ongeveer 7 natte luiers per 24 uur. Een baby die met succes borstvoeding krijgt, heeft vanaf dag 2 ten minste 3 ontlastingen per 24 uur.

Enkele tips over borstvoeding

Zelfzorg
Je houdt borstvoeding langer vol als je dit als positief ervaart. Daarom is ook zelfzorg heel belangrijk. Zorg ervoor dat je als moeder voldoende rust krijgt, goed eet en veel (water) drinkt. Laat het voeden zo kalm en ontspannen mogelijk verlopen. Ongeacht de moeilijkheden blijft huid-op-huidcontact met je kindje belangrijk.

Positie
Je positie bij borstvoeding is heel belangrijk. Dit kan zowel zittend als liggend. Er zijn vele goede posities. In het begin is het vaak zoeken naar wat voor kind en mama het meest comfortabel is. Mama zit best in een ontspannen en comfortabele houding die goed aanleggen mogelijk maakt. Moeder en kind zitten het best tegenover (lichaam/buik) en voldoende dicht bij elkaar; mama ondersteunt tijdens het voeden de rug en de schouders van de baby.

Correct vastnemen
Het kind moet zoeken naar de borst. Het draait het hoofd naar de borst en doet de mond wijd open. Plaats de baby met de neus tegen de tepel. Het kind tilt de kin en neemt tepel én tepelhof diep in de mond en zuigt krachtig. De lippen van de baby moeten getuit zijn, en de wangen mogen niet te hol zijn. Is dat wel het geval, dan betekent dit dat het kindje te hard moet zuigen. Zuigt het kind op een ritmische manier, slikt het en ademt het, dan kan je het aanleggen behouden. Borstvoeding mag niet pijnlijk zijn.

Speen en zuigfles
Zuigen geeft het kind, naast voeding, ook een gevoel van genot. Tijdens de eerste weken gebruik je best geen speen om frequente voedingsmomenten te vervangen. Dit stimuleert minder de borsten waardoor je uiteindelijk ook minder melk produceert. De zuigtechniek voor speen of zuigfles verschilt bovendien van die van een borst. Daarom wordt een speen niet aanbevolen totdat het kindje de juiste zuigtechniek heeft geleerd. Gebruik dus enkel een speen wanneer je kindje de juiste borstvoedingstechniek onder de knie heeft.

Borstvoedingsmoeilijkheden

Soms duiken er moeilijkheden op: problemen bij het aanleggen, problemen met de borst of problemen bij je kindje. Bij twijfel raadpleeg je best de huisarts of een andere deskundige.

Problemen met de borst

Tepelvorm
Er zijn twee soorten tepels: ingetrokken of platte. Sommige tepels kunnen naar buiten worden getrokken. Door hormonale veranderingen wordt dit soms automatisch gecorrigeerd tijdens de zwangerschap. Ook oefeningen en hulpmiddelen tijdens de zwangerschap kunnen volstaan om dit probleem op te lossen.
Maar er bestaan ook ‘werkelijk’ ingetrokken tepels (tepels die naar binnen steken en niet naar buiten kunnen worden getrokken). Hier is goed advies over aanlegtechniek en positionering heel belangrijk. Je kunt de tepel door massage stimuleren of door met duim en wijsvinger druk uit te oefenen achter en rond de tepel. Een tepelhoedje kan nuttig zijn. De moeder ligt bij voorkeur op haar zij.

Tepelpijn
In het begin van de borstvoedingsperiode kan er tepelpijn optreden. De tepel kan gekloofd zijn of rood zien met zelfs enkele blaren. Dit kan eventueel wijzen op een infectie, maar gelukkig komt dit zelden voor.

Borstcongestie
Congestie of ‘stuwing’ van de borst kan voorkomen een aantal dagen na de geboorte van je kind. Meestal gebeurt dat in de fase waarbij ‘de melk in de borst komt’. De borsten zijn rood, voelen pijnlijk aan en zijn gezwollen. De mama kan last hebben van koude rillingen. Congestie kent meestal een piek. Die duurt zelden langer dan 24 uur en de toestand verbetert geleidelijk binnen de twee weken.

Wat kun je zelf doen?
– Je kunt je tepels verzorgen door ze in te wrijven met wat melk na de voeding. Je kunt ook een tepelcrème gebruiken die je niet hoeft af te spoelen voor je aan de volgende voedingsbeurt begint. Is de huid aan de tepelbasis gebarsten, ontstaat er een natte huidkloof of wordt de borstvoeding pijnlijk, dan is het raadzaam om de borsten na elke voeding te wassen en te drogen met bijvoorbeeld schoon keukenpapier. Om de huid te herstellen kun je de borsten regelmatig blootstellen aan de lucht of schone bh-kussentjes dragen. Neem pijnstillers enkel als het echt nodig is, maar overleg dit best vooraf met je arts.
– Congestie of ‘stuwing’ kun je voorkomen door frequent aan te leggen. Je start best tijdens de eerste 24 uur na de geboorte met de juiste techniek. De borst moet geledigd worden. Dit kan door het geven van borstvoeding (meer dan 8 keer per 24 uur) of door het zo vaak mogelijk afkolven van melk (als het kindje niet zuigt). Het afnemen van slechts 5-10 ml melk kan de spanning al verlichten; het kind zal ook beter in staat zijn om greep te krijgen op de borst. Positionering is, nogmaals, heel belangrijk.
– Koude compressen en koele (of gekoelde) koolbladeren kunnen het warmtegevoel verlichten. Een warme douche, warme compressen en borstmassage bevorderen het afvloeien van de melk. Neem pijnstillers enkel als het echt nodig is, maar overleg dit best vooraf met je arts.

Problemen met de baby

Geelzucht of ‘icterus’
Sommige kinderen (vooral pasgeborenen) die borstvoeding krijgen, kunnen via de moedermelk geelzucht krijgen. Dit komt doordat de stof ‘bilirubine’ in het lichaam niet goed wordt uitgescheiden. Deze kinderen zijn gelukkig meestal gezond en alert. Geelzucht is doorgaans niet schadelijk en is geen reden om de borstvoeding te stoppen. Om infecties en andere ziekten uit te sluiten, is het wel raadzaam om je kind door een arts te laten onderzoeken. Hij zal de urine onderzoeken en bloed afnemen.

De baby weigert de borst
Soms weigert je kindje de borst. Dit kan komen door tal van factoren. Is je kindje ziek en niet in staat om te zuigen? Heeft je baby een verstopte neus? Of heeft je kindje misschien een pijnlijke mond, eventueel door doorkomende tandjes? Ook kan het zijn dat het een schimmelinfectie in de mond heeft.

Wat kun je zelf doen?
Als je kind ziek is en niet in staat is om te zuigen, kolf je de melk best af. Laat de voedingsmomenten kalm en ontspannen verlopen. Behoud huid-op-huidcontact. Heeft je kind een verstopt neusje, dan kun je er fysiologisch water in spuiten. Dit kan je kopen in de apotheek.

Bijzondere situaties

Borstvoeding bij een tweeling
Eén voor één borstvoeding geven aan een tweeling is zeer tijdrovend. Je kunt tijd sparen door beide baby’s op hetzelfde moment aan te leggen.

Gespleten verhemelte of lip
Een kind met een gespleten verhemelte is vaak niet in staat om de borst of een standaardspeen te grijpen. Een lange, speciaal ontworpen speen lost meestal het probleem op. Je kunt eventueel ook van in het begin afkolven.

Wat kan je arts doen?

Als de borstvoeding niet goed lukt, je problemen ondervindt met je borsten of als je kind ziek is, stap je best naar je vroedvrouw of naar de huisarts. Hij of zij kan samen met jou op zoek gaan naar de reden waarom de borstvoeding niet succesvol lijkt te zijn. De huisarts kan je vragen om te tonen hoe je borstvoeding geeft. Hij kan je kind onderzoeken en nagaan of het voldoende gevoed is en vooral voldoende gehydrateerd is. Indien je te weinig melk produceert, kan hij je medicatie voorschrijven. Metoclopramide (op voorschrift) is een middel tegen misselijkheid, maar ook het beste middel om de melkproductie te bevorderen. In geval van een echte borstontsteking, met of zonder abces, kan hij je antibiotica voorschrijven.
Als je kindje ziek is, zal de arts je kind onderzoeken om nadien de juiste behandeling in te stellen.
Consulteer zeker je arts in het geval dat:
– je kindje prematuur (te vroeg) of ziek geboren is;
– er sprake was van zwangerschapsvergiftiging of een te hoge bloeddruk tijdens de zwangerschap;
– er sprake was van zwangerschapsdiabetes;
– je baby te klein of te groot is voor de zwangerschapsduur;
– tweelingen met een verschil van meer dan 25% in gewicht;
– er sprake was van ademnood tijdens de geboorte;
– je als mama medicatie neemt voor epilepsie;
– je als mama grote dosissen bètablokkers neemt;
– er sprake was van uitdroging vlak na de geboorte;
Het kan zijn dat je doorverwezen wordt naar een specialist ter zake.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be

www.kindengezin.be

Behandeling van kankerpijn

Wat is het? 

Pijn bij kanker kan verschillende oorzaken hebben: de tumor kan op omliggende structuren drukken, pijn door uitzaaiingen en pijn die niet onmiddellijk te verklaren is. De behandeling van de kanker zelf verlicht vaak de pijn. Als dat niet zo is, dan behandelt men de pijn met medicijnen of lokale verdoving.
Pijnmedicatie wordt stapsgewijs opgestart. De dosis wordt progressief verhoogd. Doorgaans begint me met de lichtste pijnstiller tot die onvoldoende helpt. Daarna wordt overgeschakeld op een sterker middel, met de morfineachtige preparaten als laatste vorm van pijnstilling.
De pijnstilling gebeurt steeds zowel met een lang en traagwerkend geneesmiddel als met een snel en kortwerkend geneesmiddel. Het product met lange werking vormt de basis van de behandeling. De snel werkende medicatie dient voor gebruik bij pijnpieken.

Hoe vaak komt kankerpijn voor? 

Tijdens de kankerbehandeling ervaart 59% van de patiënten pijn. Bij vergevorderde ziekte loopt dit op tot 64%. Zelfs na genezing heeft nog 33% pijn.

Hoe kun je het herkennen? 

Pijn is een subjectieve waarneming. Zo kan eenzelfde pijnintensiteit voor de een goed te verdragen zijn, en voor de ander niet. Daarom tracht men de pijn te ‘objectiveren’. Dit wil zeggen dat aan de pijn een score wordt toegekend op een schaal van 1 tot 10, waarbij 1 staat voor minimale en 10 voor maximale pijn.
We maken een onderscheid tussen constante pijn en doorbraakpijn, die maar af en toe optreedt ondanks de pijnmedicatie. Het is overigens belangrijk dat je het soort pijn zo goed mogelijk probeert te omschrijven: waar heb je precies pijn? Is de pijn scherp, dof, knagend, stekend, schietend, branderig, op één punt geconcentreerd, bandvormig of eerder breed en vaag…? Dit helpt om het verschil te maken tussen klassieke pijn en zenuwpijn. Zenuwpijn geeft knagende brandende pijn zoals je bijvoorbeeld voelt bij tandpijn.

Wat kun je zelf doen? 

Je kunt zelf zo goed mogelijk proberen de ernst van de pijn te beoordelen, de evolutie ervan te beschrijven en de bijwerkingen van de behandeling te benoemen. Open communicatie hierover met je artsen, andere hulpverleners en familie zal de behandeling ten goede komen.

Wat kan je arts doen? 

In teamverband
De kankerbehandeling zelf gebeurt in het ziekenhuis door een multidisciplinair oncologisch team, bestaande uit kankerspecialisten, chirurgen, radiotherapeuten en een gespecialiseerd verpleegteam. Zo nodig wordt ook psychologische bijstand voorzien. De pijnbehandeling zal dus daar al opgestart worden.
Is er na ontslag nog een pijnprobleem, dan zal je huisarts in samenspraak met het team en met je familie de pijnbehandeling begeleiden. Er bestaan ook speciale palliatieve teams met artsen en gespecialiseerde verpleegkundigen die de patiënt en diens familie aan huis met raad en daad bijstaan.

Principes
De principes van pijnbestrijding zijn:
– het middel moet voldoende pijnverlichting geven;
– de behandeling moet haalbaar zijn. Zo kun je bij iemand die continu braakt of niet kan slikken geen tabletten geven;
– men streeft naar een constante stabiele dosis van een product met vertraagde werking voor de continue pijn;
– de pijnpieken vangt men op met snelwerkende medicijnen;
– de behandeling moet regelmatig opgevolgd en geëvalueerd worden (zie verder).

Opbouw van de behandeling
– De pijnbehandeling wordt trapsgewijs opgebouwd, zowel qua sterkte van het geneesmiddel, als qua dosis. Meestal start men met paracetamol, al dan niet gecombineerd met ontstekingsremmers zoals ibuprofen. Het effect is dosisgebonden, dus hoe hoger de dosis, hoe beter de pijnstilling. Dikwijls wordt een zuurremmerbijgegeven, omdat ontstekingsremmers maaglast veroorzaken. Ze zijn ook niet zo goed in geval van hart- en nierziekten, en bij mensen met hoge bloeddruk.
– Is de pijn hiermee onvoldoende onder controle, dan voegt men een opiaat toe. Dit is een van morfine afgeleide pijnstiller. Ook hier begint men met de lichtere producten uit de reeks, zoals de combinatie van paracetamol met codeïne of tramadol.
– Als ook dat niet meer volstaat, dan komen de zwaardere preparaten zoals oxycodon en morfine in aanmerking. De siroopvorm of de tabletten hebben de voorkeur. Injecties zijn te vermijden. Ze zijn vaak redelijk pijnlijk omdat door vermagering de patiënt nog maar weinig spierweefsel heeft.
– Er zijn ook nog kleefpleisters met fentanyl. Ze zijn een goed alternatief voor patiënten die geen medicatie meer kunnen innemen langs de mond. In principe worden ze om de 3 dagen vervangen. Bij extreme vermagering gebeurt de opname sneller, en moeten ze om de 2 dagen vernieuwd worden.
– In de terminale fase wordt vaak gekozen voor een onderhuids infuus, waarmee verschillende geneesmiddelen kunnen worden gegeven, en de patiënt zelfs in een lichte slaaptoestand kan worden gebracht (palliatieve sedatie).

Bijwerkingen
Vaak voorkomende bijwerkingen van opiaten zijn misselijkheid, verstopping en sufheid. Ze leiden slechts zelden tot psychische afhankelijkheid. Ze mogen echter niet plots gestopt worden omwille van mogelijke ontwenningsverschijnselen. Bij ernstige ziekten zoals kanker is pijncontrole trouwens veel belangrijker dan een mogelijke verslaving.

Opvolging
Bij de opvolging van de pijnbehandeling kunnen een aantal vragen helpen:
– neem je de medicatie in? Gebeurt dit op een correcte manier?
– zo niet, waarom? Heb je last van bijwerkingen? Zijn er bepaalde misvattingen zoals angst voor verslaving?
– is de pijn voldoende verlicht met de voorgeschreven dosis?
– is de pijn gedaald op de pijnscore?

Proefbehandeling
Soms is eerst een proefbehandeling met pijnmedicatie nodig om de aard van de pijn te bepalen. Zo kan het zijn dat zenuwpijn pas herkend wordt als een klassieke pijntherapie niet voldoet.
Bij zenuwpijn geeft men antidepressiva zoals amitrityline en/of anti-epileptische geneesmiddelen zoals carbamazepine en gabapentine. Zenuwpijn is dikwijls het gevolg van een behandeling met geneesmiddelen tegen kanker (cytostatica), waarbij ontsteking van de zenuwbanen (polyneuritis) ontstaat. Dit soort pijn is vaak zeer weerstandig aan behandeling.

Bronnen 

www.ebmpracticenet.be
www.oncoline.nl

Droge mond

Wat is het?

Een droge mond betekent dat je te weinig speeksel hebt om de mond voldoende vochtig te houden. Dit kan veroorzaakt worden door het innemen van geneesmiddelen, vooral van meerdere tegelijkertijd, door bepaalde ziekten, onder andere reumatische aandoeningen, ziekten van de speekselklieren, of nog bepaalde vormen van diabetes. Ook hormonale veranderingen spelen een rol. Zo komt een droge mond vaker voor bij vrouwen in de menopauze. Vasten leidt eveneens tot een afname van de speekselafscheiding. En wanneer je neus verstopt is, ga je met de mond open ademen, waardoor het speeksel gaat verdampen. Mensen die bestraald werden ter hoogte van het hoofd of ter hoogte van de hals kunnen ook een verminderde speekselafscheiding hebben.

Hoe kun je het herkennen?

Is het moeilijk om droge voeding zoals koekjes of brood door te slikken zonder tegelijkertijd te drinken? Voelt je mond droog aan bij het spreken? Moet je ’s nachts drinken omwille van een droge mond? Heb je moeite met spreken of slikken? Heb je een vreemde (metaalachtige) smaak in je mond? Als je last hebt van een of meerdere van deze klachten, dan zijn deze mogelijk veroorzaakt door een droge mond. Een verminderde speekselafscheiding bevordert tandbederf, een onwelriekende adem, een pijnlijke tong of pijn ter hoogte van of infecties van het mondslijmvlies.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Als je hinder ondervindt, stap je best naar de huisarts. Hij zal je zorgvuldig ondervragen over de aard en het voorkomen van de klachten. Hij zal ook onderzoek doen naar eventuele onderliggende aandoeningen, zoals hormonale stoornissen, reuma en andere bindweefselziekten, diabetes,… Hij zal ook de bijwerkingen van je medicatie controleren.
Een mogelijk technisch onderzoek door een tandarts of mondhygiënist is de meting van de hoeveelheid speeksel die in 5 min. afgescheiden wordt. De test kan uitgevoerd worden met stimulatie van de speekselaanmaak. De tandarts laat je dan gedurende 5 min. kauwen op een speciaal product. De hoeveelheid afgescheiden speeksel wordt gemeten. Normaal bedraagt deze meer dan 5 ml in 5 min. Maak je minder dan 2,5 ml speeksel aan in 5 min., dan kun je klachten van een droge mond krijgen. De test kan ook uitgevoerd worden zonder stimulatie van de speekselafscheiding door kauwen. Dan wordt de speekselafscheiding in rust gemeten. Wanneer deze minder dan 0,5 ml speeksel in 5 min. bedraagt, is ze te laag en zullen klachten optreden.

Wat kun je zelf doen?

Zorg voor een goede mondhygiëne. Vraag eventueel aan een tandarts of mondhygiënist deskundig advies over het schoon houden van je tanden en kunstgebit. Poets dagelijks de tanden en de ruimten ertussen. Gebruik hiervoor niet alleen een goede tandpasta met fluor, maar ook flosdraad, mondspoelwater of kauwgom met fluor. Je kunt ook fluortabletten innemen. Maar pas op, hier mag je niet te veel van nemen.

Als je een kunstgebit hebt, reinig dat dan zeer goed. Is je tandvlees onder het kunstgebit ontstoken, hou dan het gebit ’s nachts niet in je mond, maar bewaar het in een droge en luchtige container. Regelmatige controle van je gebit om de 3 tot 6 maanden door de tandarts is noodzakelijk.
Pas je voedingspatroon aan:
– kauw elke maaltijd het voedsel voldoende lang.
– eindig elke maaltijd met groenten, noten of kaas om het effect van de zuren die door bacteriën afgescheiden worden ongedaan te maken. Deze zuren veroorzaken tandbederf.
– drink na elke maaltijd water of spoel goed je mond.
– vermijd zoete snacks en zure vruchten of dranken tussen de maaltijden.
– plat water is veilig voor je tanden.
Vertel je arts ook welke medicatie je neemt.

Wat kan je arts doen?

Medicijnen geven verlichting van de symptomen. Je arts of tandarts kan je kauwgom, tabletten of zuigtabletten met een speciaal product voorschrijven. Het kauwen tussen en onmiddellijk na het eten van een maaltijd of snack, bevordert de speekselafscheiding. Als je niet goed meer kunt kauwen, kun je de kauwgom vervangen door tabletten of zuigtabletten.
Speekselvervangende middelen (eventueel door de apotheker zelf bereid) en vochtinbrengende gels verlichten de symptomen meer dan een drankje, en ook voor een langere periode. Regelmatig gebruik kan geen kwaad. Sommige producten bevatten ontsmettende stoffen, die nuttig zijn bij infectie.
Heb je een verstopte neus, dan kan je arts neusdruppels of een neusspray voorschrijven. Zo hoef je niet meer door je mond te ademen.
Lijd je aan een ernstige vorm van monddroogte, dan kan je arts je bepaalde medicijnen voorschrijven die pilocarpine bevatten. Deze worden vooral gebruikt bij oogziekten, maar hebben onder andere speekselvloed als bijwerking. Ze zijn daarom alleen geschikt voor jongere en relatief gezonde mensen. Ze hebben geen nut meer wanneer de speekselklieren helemaal niet meer werken.

Bron

www.ebmpracticenet.be

Carpaletunnelsyndroom

Wat is het?

De carpale tunnel ligt aan de handpalmzijde van de pols. De tunnel is een doorgang voor zenuwen en pezen die van de onderarm naar de hand lopen. Soms wordt de tunnel langzaam te nauw en geraakt de middenhandszenuw (nervus medianus) ingeklemd. Dit veroorzaakt klachten in je hand die we het carpaletunnelsyndroom (CTS) noemen.
Overgewicht, gewrichtsreuma, diabetes, nierziekten, hypothyreoïdie (te traag werkende schildklier), polsbreuk en zwangerschap kunnen een uitlokkende factor zijn. Carpaletunnelsyndroom in associatie met zwangerschap zal meestal spontaan verdwijnen na de bevalling. Carpaletunnelsyndroom kan ook een beroepsziekte zijn. Zeer repetitieve en krachtige werkgerelateerde bewegingen zoals hameren, wringen (poetsen!), trillingen en polshoudingen die afwijken van een neutrale positie zijn een risicofactor om CTS te ontwikkelen.

Hoe vaak komt het voor?

Carpaletunnelsyndroom is een aandoening die meer bij vrouwen dan bij mannen voorkomt, en vooral in de leeftijdscategorie van 40 tot 60 jaar, maar ook vaak bij ouderen. In de algemene bevolking komt CTS voor bij ongeveer 90 op 1000 vrouwen en bij 6 op 1000 mannen. In ongeveer een derde van de gevallen komt de aandoening aan beide handen voor.

Hoe kun je het herkennen?

Bij het carpaletunnelsyndroom heb je last van pijn, tintelingen en/of een doof gevoel in de duim, de wijsvinger, de middelvinger en de helft van de ringvinger. In het beginstadium nemen de klachten toe bij activiteit; na verloop van tijd verschijnen ze vooral ‘s nachts. Vaak geeft het schudden van de handen verbetering. Soms breidt de pijn zich uit tot in de hele bovenarm. De tintelingen blijven wel steeds beperkt tot de palmzijde van de hand en de vingers, en tot de vingertoppen aan de rugzijde. In een later stadium is er spierzwakte, vooral in de duimspieren. De dikte van de duimspier kan afnemen. Fijn gecoördineerde activiteiten, zoals het vastmaken van knopen, kunnen moeilijker worden. Bij ernstige onbehandelde gevallen kunnen de afwijkingen blijvend zijn.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Je arts zal je vragen stellen over je klachten, je onderzoeken en enkele tests uitvoeren die de klachten uitlokken. Soms zal hij je doorsturen voor een elektroneuromyografie of EMG om de diagnose te bevestigen en om uit te maken of een ingreep nodig is. Een EMG is een test waarmee men de functie van spieren en zenuwbanen kan meten. De ernst van de vastgestelde afwijkingen bepaalt welke behandeling je zult krijgen. Het onderzoek geeft ook zekerheid over de juiste plaats waar de zenuw afgeklemd zit. Dat kan immers ook voorkomen ter hoogte van de halswervels of van de elleboog.

Wat kun je zelf doen?

Het kan (tijdelijk) verlichting geven als je met tussenpozen je handen beweegt zonder ze al te veel te belasten. Je kunt bijvoorbeeld de polsen buigen en strekken, een vuist maken, de vingers strekken en spreiden of met je handen wapperen. De symptomen verdwijnen meestal als de uitlokkende factor wegvalt, bijvoorbeeld als je ondertussen bevallen bent of de werkdruk verminderd is. Het kan helpen om de factoren op het werk die je fysiek belasten aan te pakken, bijvoorbeeld door een technische oplossing te bedenken en je werktaken te herschikken.
Bij lichte tot milde gevallen wordt een nachtspalk gebruikt om tijdens het slapen het buigen van de pols te vermijden. Na vier weken moeten de klachten duidelijk verminderd zijn. Is er geen verbetering na zes weken, dan heeft het geen zin deze behandeling voort te zetten.

Wat kan je arts doen?

Bij een kwart van de mensen met het carpaletunnelsyndroom verdwijnen de klachten zonder behandeling binnen één jaar; bij de helft veranderen de klachten weinig, en bij een kwart nemen ze toe.

Conservatieve behandelingen
Je huisarts kan de pols infiltreren met een cortisone-injectie. Dat kan ook overwogen worden bij ernstige symptomen tijdens de zwangerschap. Is er geen of weinig verbetering, dan kun je na twee of drie weken eventueel een tweede injectie krijgen. Helpt ook die niet, dan hebben meer injecties geen zin.
Behandeling bij de kinesitherapeut helpt niet.

Chirurgische behandeling
Als een conservatieve behandeling niet heeft geholpen, de klachten verergeren, het EMG-onderzoek positief is, en vooral als je symptomen hebt van motorische uitval (spierzwakte), is chirurgie aangewezen. Bij een ingreep wordt het carpale ligament waaronder de zenuw gekneld zit, doorgesneden. In gevorderde gevallen kan het herstel van gevoel en kracht een jaar duren, of zelfs uitblijven.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
www.nhg.org/standaarden/hand- en polsklachten
www.thuisarts.nl/carpaletunnelsyndroom

Besmetting met hiv

Wat is het?

Het humaan immuundeficiëntievirus (hiv) is een virus dat het natuurlijke afweersysteem van de mens tegen infecties afzwakt. Witte bloedcellen spelen een belangrijke rol in ons afweersysteem. Door hiv verminderen ze in aantal. Daardoor worden we vatbaarder voor allerhande schimmelinfecties, virale of bacteriële infecties.
Het virus zit in het bloed en andere lichaamsvochten als sperma, vaginaal vocht, menstruatiebloed, moedermelk of vocht in de aars. Besmetting gebeurt via besmet bloed of wanneer je in contact komt met lichaamsvocht van een persoon met hiv. Speeksel, zweet of urine, bevatten onvoldoende virus om iemand te besmetten.
Overdracht van het virus gebeurt via besmette naalden (druggebruik), via het slijmvlies van aars, genitaliën, mond en ogen, of nog via snij- of andere huidwonden.
Het is heel belangrijk om mensen met hiv snel op te sporen zodat ze anderen niet kunnen besmetten. Een hiv-test is echter pas positief 1 tot 4 maanden na besmetting.
Men loopt kans om een hiv-infectie op te lopen in geval van onveilige seks, injecties met besmette naalden en risicogedrag. Men moet denken aan de mogelijkheid van een hiv-infectie bij mensen met een onverklaarde verminderde weerstand en bij jongeren met gewichtsverlies, dementie of schimmelinfectie in de slokdarm, bloedarmoede of andere bloedafwijkingen zoals te weinig bloedplaatjes.
Er is geen geneesmiddel dat hiv geneest, maar een samengestelde therapie met verschillende geneesmiddelen (HAART of ‘highly active antiretroviral therapy’) verbetert de prognose van mensen met hiv aanzienlijk.

Hoe vaak komt het voor?

Wereldwijd zijn 35,3 miljoen mensen besmet met het hiv-virus. In België leven ongeveer 16000 mensen met hiv. Dit aantal neemt nog ieder jaar toe. In West-Europa zijn nieuwe infecties meestal het gevolg van sekstoerisme, prostitutie en druggebruik via injecties.

Hoe kun je het herkennen?

De eerste symptomen van een hiv-infectie treden op 2 tot 6 weken na besmetting. Je hebt dan last van koorts, vermoeidheid, keelontsteking, hoofdpijn, diarree, spierpijn, gewrichtspijn en soms gezwollen lymfklieren, huiduitslag (kleine bultjes). Het ziektebeeld doet denken aan klierkoorts. Deze symptomen verdwijnen binnen de maand. Tijdens deze eerste infectiefase test je nog negatief op de hiv-test. Deze test controleert of je lichaam antistoffen aanmaakt tegen hiv. Daarom herhaalt men bij vermoeden van infectie de test na drie maanden.
Na deze eerste infectiefase kun je enkele jaren, soms meer dan 10 jaar, klachtenvrij zijn. Het virus verspreidt zich ondertussen verder in het lichaam. Vervolgens krijg je te kampen met infecties, omdat je afweersysteem almaar verder afzwakt. Mogelijke klachten zijn dan gewichtsverlies, koorts, aanhoudende diarree, herpes zoster (gordelroos of zona), schimmelinfectie van de slokdarm en bepaalde soorten huiduitslag.
Ten slotte krijg je aids (“acquired immune deficiency syndrome”). Je lijdt dan aan ziekten, die behandelbaar zijn bij gezonde personen (schimmelinfectie, longontsteking, bacteriële infecties, …), maar in geval van aids levensbedreigend zijn.
Je laat best een hiv-test doen in geval van:
– risicogedrag: onveilige seks met losse partners of prostituees of intraveneus druggebruik;
– genitale klachten of klachten bij plassen of vrijen die kunnen wijzen op een soa (seksueel overdraagbare aandoening);
– koorts, diarree, gewichtsverlies of dementie zonder duidelijke oorzaak;
– diagnose van hepatitis B of C;
– baarmoederhalskanker (wanneer je jong bent);
– diagnose van lymfeklierkanker.

Hoe kan je arts het herkennen?

Op basis van je klachten en een lichamelijk onderzoek kan je arts een vermoeden hebben dat je besmet bent met hiv. In dat geval zal hij je een hiv-test aanraden. Dit gebeurt via een bloedafname.
De hiv-test moet steeds op jouw vraag worden gedaan. Je toestemming is dus altijd nodig.
Als je de test afwijst, dan zal de arts met jou de gevolgen van een uitgestelde diagnose (voor jezelf, je sekspartners en verzorgend personeel) bespreken.

Wat kun je doen?

Als je klachten hebt of redenen (o.a. verhoogd risicogedrag) hebt om te denken dat je mogelijk besmet bent met hiv, laat je dan testen. Gebruik een condoom gedurende de hele periode waarin je medisch wordt opgevolgd, maar nog niet weet of je besmet bent.
Ben je zwanger, dan kun je je vrijwillig laten screenen in de kraamkliniek.
Als je hiv positief bent, dan zul je een aantal hygiënische maatregelen in acht moeten nemen om de kans op infectie te verminderen, zowel voor jezelf als voor anderen. Vraag hierover uitleg aan je arts.
Je zult ook de vraag krijgen om je vroegere sekspartners te contacteren met de vraag om zich te laten testen. Gespecialiseerde centra kunnen je hierin begeleiden.
Als je in behandeling bent voor hiv, en je ondervindt gezondheidsproblemen of moeilijkheden om je aan je behandeling te houden, bespreek dit dan tijdig met je arts. Contacteer zo snel mogelijk je arts wanneer je ziek bent. Hij kan uitmaken of het in jouw geval ernstig is.

Wat kan je arts doen?

In geval van mogelijke besmetting zal je arts, met jouw goedkeuring, een bloedtest afnemen. Bij het bloed prikken zal hij handschoenen dragen om zichzelf te beschermen tegen mogelijke prikaccidenten.
Is het testresultaat negatief en dus gunstig, dan krijg je van hem te horen hoe je risicogedrag kunt vermijden en wanneer je de test opnieuw moet laten doen.
In geval van een positief (dus ongunstig) testresultaat zal de arts voldoende tijd uittrekken om je in te lichten over de ziekte, het verloop ervan en de behandelingsmogelijkheden. Hij zal je doorverwijzen naar een dienst gespecialiseerd in de behandeling van mensen met hiv. Je zult contactgegevens meekrijgen van organisaties (aidshulplijnen, zelfhulporganisaties) die je meer informatie en ondersteuning kunnen bieden.
De mensen met wie je intiem contact had, zullen worden gecontacteerd en aangemoedigd om zich te laten testen.
Ben je intraveneuze druggebruiker, dan wordt een hepatitis B-vaccinatieprogramma gestart (tenzij je de ziekte reeds hebt doorgemaakt of je al gevaccineerd bent). Men zal ook nagaan of je een hepatitis C-besmetting hebt of een andere seksueel overdraagbare aandoening.
Eens de therapie op punt staat en de behandeling aanslaat, dan kan de huisarts je verder opvolgen. Voor het welslagen van de behandeling is het belangrijk dat problemen, o.a. op vlak van therapietrouw, met je arts besproken worden. Worden de klachten ernstiger, dan neemt het team van specialisten de opvolging over.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
http://www.nhs.uk/Conditions/HIV/Pages/Causes.aspx

Meer informatie?

www.sensoa.be
www.hivverenigingbelgie.be

Astma: klachten en diagnose

Wat is het?

Astma is een aandoening van de luchtwegen. Normale luchtwegen zijn bedekt met slijmvlies en breed genoeg om voldoende lucht door te laten. Bij astma zijn ze voortdurend ontstoken, waardoor de slijmvliezen zwellen en de opening waar de lucht doorheen moet, smaller wordt. Door die ontsteking reageren de luchtwegen gevoelig op irriterende stoffen zoals rook, koude lucht of luchtvervuiling. De longen trekken dan samen, er wordt extra slijm aangemaakt, en je wordt kortademig. Deze reactie krijg je ook in geval van een onderliggende allergie voor huisstofmijt, huidschilfers van dieren of pollen.

Hoe vaak komt het voor?

Ongeveer 8 tot 10% van de volwassenen en 5 tot 8% van de kinderen heeft astma. Het komt vooral voor bij jonge kinderen en bij personen ouder dan 40 jaar.

Hoe kun je het herkennen?

Als je astma hebt, heb je last van kortademigheid, die gepaard gaat met een piepende ademhaling. De kortademigheid is meer uitgesproken in de vroege ochtenduren, na het sporten, tijdens een verkoudheid of na contact met irriterende stoffen of stoffen waaraan je allergisch bent.
Lang en vaak hoesten is een andere veelvoorkomende klacht bij astma. De hoest kan droog en prikkelend zijn, maar vaak wordt er helder slijm opgehoest.
De klachten wisselen erg van persoon tot persoon en kunnen bij dezelfde persoon variëren van maand tot maand.
Astma is niet hetzelfde als COPD (afkorting van Chronic Obstructive Pulmonary Disease), ook wel chronische bronchitis of rokerslong genoemd. COPD is meestal het gevolg van roken en ontstaat geleidelijk. De klachten nemen toe naarmate de ziekte vordert. Een puffer met een geneesmiddel dat de luchtwegen verwijdt, geeft weinig beterschap bij COPD. Bij astma daarentegen is de oorzaak vaak niet gekend. De kortademigheid is wisselend aanwezig en de klachten kunnen na verloop van tijd afnemen. Astmaklachten verminderen aanzienlijk na gebruik van een puffer.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

De arts zal je longen beluisteren met een stethoscoop en een piekstroommeting uitvoeren. Soms is nog extra onderzoek nodig om vast te stellen of je astma hebt. Hieronder volgt een overzicht van mogelijke onderzoeken.

Beluisteren van de longen
De arts zal naar je longen luisteren met een stethoscoop. Een piepende ademhaling kan wijzen op astma. Soms hoort de arts echter niets afwijkends, zeker als je op dat moment geen klachten hebt.

Piekstroommeting
Een piekstroommeter registreert de maximale kracht waarmee je kunt uitademen. Je arts zal je vragen om via een mondstuk zo krachtig mogelijk te blazen in een klein apparaatje (de piekstroommeter). Deze test kan nog normaal zijn bij beginnend astma en ook als je op het moment van de test geen klachten hebt.

Spirometrie
Spirometrie of longfunctieonderzoek geeft meer details over de longfunctie dan een piekstroommeter. Dit onderzoek wordt herhaald nadat je een geneesmiddel hebt ingeademd dat de luchtwegen verwijdt. Zo kijkt je arts na of deze medicatie een invloed heeft op je longfunctie.

Piekstroommetingen thuis
De arts kan je een piekstroommeter meegeven waarmee je thuis zelf een aantal keer per dag je piekstroom meet. De eerste week doe je de test zonder inname van medicatie, de tweede week gebruik je wel medicatie om de luchtwegen te verwijden. Aan de hand van deze metingen kan de arts nakijken of je aan astma lijdt of niet.

Inspanningstest
Personen met astma reageren vaak gevoelig op inspanningen, vooral bij koud weer. Om dit te testen meet je arts de piekstroom vóór en na 6 minuten hardlopen in de buitenlucht.

Proefbehandeling met corticosteroïden
Om vast te stellen of je astma hebt, kan het nodig zijn om een tijdje corticosteroïden in te nemen. Dit geneesmiddel werkt in op de ontstoken luchtwegen. Voor en na de behandeling wordt een spirometrie uitgevoerd en tijdens de proefbehandeling meet je thuis zelf de piekstroom.

Röntgenfoto
Een röntgenfoto van de longen of de sinussen is soms nodig om andere ziekten uit te sluiten.

Huidpriktest
Een huidpriktest wordt uitgevoerd bij een vermoeden van allergie voor pollen of huidschilfers van dieren. Ook het opsporen van kruisreacties met bepaalde voedingsbestanddelen kan nuttig zijn.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be

www.thuisarts.nl/astma

www.astma-en-allergiekoepel.be