Helpt koffie om langer te leven?

foto bij artikel Helpt koffie om langer te leven?

In het nieuws

Goed nieuws voor wie van koffie houdt: drie tot vijf kopjes drinken per dag zou voorkomen dat je vroegtijdig sterft aan een aantal verschillende aandoeningen. Dat blijkt uit een studie aan de universiteit van Harvard, die verschenen is in het vakblad Circulation.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Onderzoekers van Harvard University gebruikten drie grote opvolgstudies waarin 208.501 gezondheidswerkers gedurende 21 tot 28 jaar werden gevolgd. Deze studies werden opgestart in de jaren ‘70 en ’80 en beëindigd in 2012. Er werd specifiek gekeken naar koffieconsumptie (hoeveel, met of zonder cafeïne) en rookgedrag naast andere leefstijlfactoren. Doel was nagaan in hoeverre koffie de levensverwachting beïnvloedt.

Na afsluiten van de studies waren 31.956 mensen overleden. In vergelijking met mensen die geen koffie dronken, hadden diegenen die 1 kop koffie per dag dronken 5% minder kans om tot de groep overledenen te behoren. Wie tussen 1 en 3 koppen dronk, had 9% minder kans op overlijden tijdens de studieperiode. Met 4 of 5 koppen liep men 7% minder kans, en wie meer dan 5 koppen per dag dronk, had geen voordelen meer in vergelijking met mensen die geen koffie dronken (1). Het maakte geen verschil of men deca of cafeïnehoudende koffie dronk. Wat het rookgedrag betrof, stelden de onderzoekers vast dat rokers vaker mensen zijn die veel koffie drinken. Van de groep die meer dan 5 koppen per dag drinkt, blijkt tweederde roker. Wanneer men enkel de mensen selecteerde die nooit rookten en meer dan 5 koppen koffie per dag dronken, dan hadden die ook nog een iets betere levensverwachting. De rokers onder de koffieadepten (meer dan 5 koppen per dag) stierven eerder als gevolg van hun rookgedrag aan longkanker en COPD.

De onderzoekers besluiten dat regelmatige koffieconsumptie, tussen 1 en 5 koppen per dag, het risico op vroegtijdige sterfte vermindert.

Bron

Association of Coffee Consumption with Total and Cause-Specific Mortality in Three Large Prospective Cohorts. Circulation. Published online November 16 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat hier weliswaar om een zeer grote groep mensen, wat de studie sterker maakt, maar de aard van de studie laat niet toe te besluiten dat het om een oorzaak-gevolgrelatie gaat. Bovendien is het voordeel wel zeer bescheiden: een reductie van maximum 9% stelt weinig voor. Sommige mensen drinken beter geen of zeer weinig cafeïnehoudende koffie: zwangere vrouwen bijvoorbeeld, of mensen die hun bloeddruk moeilijk onder controle krijgen.

Wie langer wil leven, kan zich ook beter concentreren op gezonde eet- en leefgewoonten: niet roken, voldoende beweging, gezond eten en streven naar een gezond lichaamsgewicht. Dergelijke maatregelen hebben veel meer effect op de levensverwachting dan koffie. En wie graag van een lekkere koffie geniet, hoeft die dus zeker niet achterwege te laten.

Conclusie

Deze studie vindt dat mensen die 1 tot 5 koppen koffie per dag drinken, met of zonder cafeïne, een iets gunstigere levensverwachting hebben. Of dit effect een rechtstreeks gevolg is van de koffie kon hier niet worden aangetoond.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/11November/Pages/Coffee-can-make-you-live-longer-claims.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 20/11/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Zijn superbacteriën bestand tegen de sterkste antibiotica?

foto bij artikel Zijn superbacteriën bestand tegen de sterkste antibiotica?

In het nieuws

Het einde van het tijdperk van de antibiotica en de terugkeer van een wereld waarin mensen sterven aan ordinaire infecties. Zo pessimistisch reageren dokters op de resultaten van onderzoek in China.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Wanneer bacteriën resistent worden tegen antibiotica, dan moeten sterkere antibiotica worden ingezet om infecties te genezen. Chinese onderzoekers melden dat ze bacteriën hebben gevonden die ook resistent zijn tegen de sterkste antibiotica die er vandaag bestaan, namelijk polymyxinen (1, 2). Bij routinecontrole van bacteriën in levend vee in China werden bacteriën (E Coli-stammen) geïsoleerd die niet meer reageren op de sterkste klasse antibiotica die er zijn. De Chinese onderzoekers ontdekten de oorzaak van deze resistentie: het gaat om een welbepaald gen (MCR-1) dat op een geïsoleerd stukje DNA zit, een zogenaamde plasmide. Bacteriën kunnen plasmiden aan elkaar doorgeven: op die manier kunnen ze de antibioticaresistentie verspreiden.

Onderzoekers wilden weten hoe ver deze resistente bacteriën reeds verspreid zijn en namen stalen in slachthuizen voor varkens, op marktjes en supermarkten waar rauw vlees verhandeld wordt en bij patiënten in ziekenhuizen. Ze stelden vast dat het MCR-1-gen, dat ervoor zorgt dat de bacterie weerstandig is aan de sterkste antibiotica, reeds ver verspreid is: bij 21% van de 804 onderzochte varkens, bij 15% van de stalen rauw vlees en bij 1% van de gehospitaliseerde patiënten.

Ze concluderen dat er dringend maatregelen nodig zijn om de verdere verspreiding tegen te gaan.

Bron

(1) Liu Y, Wang Y, Walsh TR, et al. Emergence of plasmid-mediated colistin resistance mechanism MCR-1 in animals and human beings in China: a microbiological and molecular biological study. The Lancet Infectious Diseases. Published online November 18 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat inderdaad om onrustwekkend nieuws. Vermits onze contreien kip- en varkensproducten invoeren uit China, kunnen deze superbacteriën ook bij ons opduiken en vooral verzwakte patiënten opzadelen met levensbedreigende infecties. Voor dergelijke infecties hebben we enkele reserveantibiotica, waaronder polymyxinen. Als deze niet meer werken, dan is de patiënt verloren. Deze zeer krachtige antibiotica worden volop preventief gebruikt in de veeteelt in China: het wordt in het veevoeder vermengd om infecties te voorkomen. Waarschijnlijk is daar het probleem ontstaan.

Er wordt al vele jaren alarm geslagen om het antibioticaverbruik uit de veeteelt te bannen en ook om verstandig om te springen met deze medicijnen. Ook mensen die antibiotica slikken voor banale infecties, waarvoor eigenlijk geen antibiotica nodig zijn, dragen bij tot het probleem. Het is uiterst belangrijk om voorzichtig te zijn met antibiotica en ze niet nodeloos te slikken. Info en tips over antibioticagebruik:http://www.gebruikantibioticacorrect.be/nl

Conclusie

Chinese onderzoekers identificeren bacteriën die bestand zijn tegen de sterkste antibiotica. Wanneer de verspreiding ervan niet wordt aangepakt, riskeren mensen inderdaad opnieuw te overlijden aan banale infecties, zoals honderd jaar geleden.

Referenties

(2) http://www.bcfi.be/GGR/Index.cfm?ggrWelk=/nIndex/GGR/Stof/IN_C.cfm

http://www.nhs.uk/news/2015/11November/Pages/Last-line-in-antibiotic-resistance-under-threat.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 23/11/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Zijn vrouwen agressiever in de winter?

foto bij artikel Zijn vrouwen agressiever in de winter?

In het nieuws

Vrouwen worden agressiever in de winter. Dat komt omdat het op korte dagen langer donker is, wat leidt tot veranderingen in het melatonine hormoon. Het effect wordt bij mannen niet gezien.

Waar komt dit nieuws vandaan?

In tegenstelling tot wat de aanhef van het krantenartikel doet vermoeden, gaat het niet om een studie bij vrouwen, doch bij vrouwelijke hamsters (1). In een laboratorium bootste men lange en korte dagen na door de hamsters gedurende een verschillend aantal uren per dag aan licht bloot te stellen. Nadien werden ze geconfronteerd met een indringer en de mate van agressiviteit waarmee zij hierop reageerden werd becijferd in een score. Zo telde men hoe lang het duurde alvorens een hamster tot de aanval van de belager overging, hoe vaak er aangevallen werd, en hoe lang de aanvallen duurden. Het bleek dat de meest agressieve vrouwelijke hamsters diegene waren die het minst aan licht blootgesteld waren. Zij hadden ook het meest melatonine in het bloed.

De onderzoekers besloten dat dit hormoon een rol speelt in agressief gedrag bij vrouwtjeshamsters. Ze voegen eraan toe dat deze bevinding belangrijk is voor de studie van abnormaal agressief gedrag bij mensen.

Bron

(1) Rendon et al. The agonistic adrenal: melatonin elicits female aggression via regulation of adrenal androgens. Proc Biol Sci. 2015 Nov 22;282(1819).

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Wetenschappelijk onderzoek op proefdieren heeft een aantal belangrijke voordelen. Zo is het goekoper dan onderzoek op mensen, je kan op korte tijd meerdere generaties bestuderen en er zijn minder ethische beperkingen. Onderzoek op proefdieren blijkt echter methodologisch heel wat minder strikt gevoerd te worden dan onderzoek op mensen. Een andere beperking is dat men bij voorkeur positieve studies, dit zijn studies waarin iets opmerkelijks gevonden wordt, publiceert (2). Dit probleem is ook bij onderzoek op mensen gekend. Wanneer een nieuwe studie de eerdere bijzondere bevinding niet bevestigt, wordt ze veelal niet publiek gemaakt wegens ‘niet interessant’. Met andere woorden, zogenaamde grote ontdekkingen worden vaak niet publiek tegengesproken en worden zodoende vlugger ten onrechte als waarheid beschouwd.

De grootste beperking van proefdierenonderzoek is evenwel dat dieren geen mensen zijn. Meerdere studies hebben aangetoond dat zelfs de meest veelbelovende bevindingen bij proefdierenonderzoek vaak niet reproduceerbaar zijn bij mensen. Minder dan 10% van dergelijke studies leiden tot concrete medische toepassingen (2).

Conclusie

Onderzoek op proefdieren kan voor wetenschappers belangrijke bevindingen opleveren. Zo lang deze evenwel niet bevestigd worden bij mensen, heeft de modale burger er geen boodschap aan.

Referenties

(2) Pound P, Bracken MB. Is animal research sufficiently evidence based to be a cornerstone of biomedical research? BMJ. 2014 May 30;348:g3387.

klokje bij datum van publicatie verschenen op 24/11/2015 | Cebam | geschreven door Hans Van Brabandt

Hebben wetenschappers de locatie van geluk gevonden in het brein

foto bij artikel Hebben wetenschappers de locatie van geluk gevonden in het brein?

In het nieuws

Voel je je gelukkig? Het gebeurt allemaal in de precuneus of voorwig, een onderdeel van de grote hersenen. Dat blijkt uit onderzoek van Kyoto University.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Japanse onderzoekers rekruteerden 51 jongvolwassenen met een gemiddelde leeftijd van 23 jaar voor een onderzoek naar geluk (1). Geluk is een belangrijke emotie, waar de meesten onder ons naar streven. De Japanners wilden weten of het brein van mensen die zich gelukkig voelen anders in elkaar zit. Daartoe moesten de deelnemers verschillende gevalideerde vragenlijsten invullen: tests die het subjectieve geluk evalueren, positieve en negatieve gevoelens in kaart brengen, een angstschaal en een test over de zin van het leven. Deze tests zijn specifiek samengesteld voor de Japanse bevolking. Daarnaast kregen alle deelnemers een MRI-scan van de hersenen. Een MRI-scan brengt het brein gedetailleerd in beeld. Vervolgens vergeleken de onderzoekers de resultaten van de vragenlijsten met de scans. Diegenen die hoog scoorden op subjectief geluk, positief denken en een hoger doel hebben in het leven, vertoonden een groter hersenvolume in de precuneus, een deel van de partiële kwab van de grote hersenen, ook voorwig genoemd. Verder vonden de onderzoekers geen noemenswaardige volumeverschillen in het brein van gelukkige en minder gelukkige deelnemers.

Daaruit concludeerden ze dat er een verband bestaat tussen subjectieve gevoelens van geluk en de precuneus in de hersenen.

Bron

(1) Sato W, Kochiyama T, Uono S, et al. The structural neural substrate of subjective happiness. Scientific Reports. Published online November 20 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om een beperkt onderzoek (slechts 51 jonge deelnemers) waaruit weinig conclusies kunnen getrokken worden. Het verband tussen het hersenvolume van de precuneus en geluk kan verschillende verklaringen hebben. We weten ondertussen dat het brein plastisch is en beïnvloed kan worden door levensgebeurtenissen. Het kan dus zijn dat het groter volume van dit ene hersengebied een gevolg is van geluksgevoelens en niet de oorzaak. Het kan net zo goed zijn dat sommige mensen geboren worden met een grotere precuneus en daardoor makkelijker gelukkig zijn. Om dat te achterhalen zijn veel grotere studies nodig waarbij pasgeborenen een MRI-scan krijgen en verschillende keren in hun latere leven, waarnaast ook hun emotionele leven en geluksgevoelens in kaart gebracht worden. Deze studie is slechts een momentopname.
De onderzoekers vermelden in de publicatie nog een andere interessante studie: mensen die veel mediteren of mindfulness beoefenen, zouden ook een grotere precuneus hebben. Van beide technieken is aangetoond dat ze het geluksgevoel kunnen verhogen.

Conclusie

Onderzoekers vinden een verband tussen subjectief geluk en meer volume in een bepaalde hersenregio, met name de precuneus. Of het ene het gevolg is van andere dan wel de oorzaak, konden ze niet achterhalen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/11November/Pages/Has-the-happiness-region-of-the-brain-been-discovered.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 25/11/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Wat is een Lumbaalpunctie?

Wat is het?

Lumbaalpunctie is een medische handeling waarbij vocht wordt afgenomen rond het ruggenmerg. Dit vocht noemt men cerebrospinaal vocht, of nog hersenvocht of ruggenmergvocht. Dat is de waterige vloeistof die zich in en rond de hersenen en het ruggenmerg bevindt.
De belangrijkste functie van dit vocht is schokdemping en bescherming van de hersenen en ruggenmerg. Een andere functie is het transport van voedingstoffen en afvoer van afvalstoffen.
Een lumbaalpunctie gebeurt door middel van een prik ter hoogte van de lage rug. Het afgetapte vocht wordt onderzocht om de oorzaak te vinden van sommige aandoeningen en om op die manier de meest geschikte behandeling te kunnen toepassen.

Wanneer wordt het gedaan?

Lumbaalpuncties worden bijna uitsluitend in het ziekenhuis uitgevoerd. Ze helpen bij het stellen van de diagnose van meningitis, subarachnoïdale bloeding en van andere infectie- of ontstekingsziekten van het centrale zenuwstelsel:
– Meningitis (hersenvliesontsteking) kan veroorzaakt worden door zowel een virus als een bacterie.
– Een subarachnoïdale bloeding (bloeding tussen de hersenvliezen) is niet altijd zichtbaar op een CT-scan. Als de CT-scan negatief is en er toch een vermoeden is van een subarachnoïdale bloeding kan een lumbaalpunctie helpen om de diagnose te stellen.

Contra-indicaties voor een lumbaalpunctie

Een lumbaalpunctie is niet aangewezen in geval van neurologische symptomen. Dan is beeldvorming het belangrijkste onderzoek. Ook wanneer men een verhoogde druk in de hersenen vermoedt, mag er geen lumbaalpunctie gebeuren omdat de kleine hersenen dan ingekneld kunnen geraken. Symptomen van verhoogde hersendruk zijn hoofdpijn ‘s morgens, braken en verminderd bewustzijn. Verhoogde hersendruk kan ook opgespoord worden via een fundoscopie (het bekijken van de binnenkant van de oogbol met een oogspiegeltje). Ook bij mensen die bloedverdunners nemen, moet men extra voorzichtig zijn.

Complicaties van een lumbaalpunctie

Mogelijke complicaties van een lumbaalpunctie zijn:
– Inklemming van de kleine hersenen: dit komt uiterst zelden voor. Men verliest dan het bewustzijn onmiddellijk of een aantal uur na de punctie.
– Hoofdpijn: dit wordt veroorzaakt door drukverlies van het cerebrospinale vocht in het hoofd. Dit komt door lekkage ter hoogte van de aanprikplaats. Mensen met een voorgeschiedenis van hoofdpijn of MS zijn hiervoor gevoeliger. Bedrust kan helpen om de hoofdpijn te verlichten. Soms wordt een bloedpatch gebruikt. Hierbij wordt eigen bloed ingespoten rond de punctieplaats.

Wat wordt er opgespoord?

Het uitzicht van het cerebrospinale vocht kan al richtinggevend zijn voor een bepaalde aandoening. Normaal is cerebrospinaal vocht helder en kleurloos. Als het troebel is, kan dit wijzen op een bacteriële hersenvliesontsteking. Rood of geelrood cerebrospinaal vocht na centrifugeren wijst op een recente bloeding. En geel cerebrospinaal vocht, waarin witte bloedcellen gevonden worden, wijst eerder op een oude bloeding. In het labo wordt het vocht verder onderzocht op aanwezigheid van cellen (rode bloedcellen, witte bloedcellen,…), glucose en eiwitten.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be

verschenen op 15/09/2014

Kan champagne dementie voorkomen?

foto bij artikel Kan champagne dementie voorkomen?

In het nieuws

Een onderzoek van de University of Reading heeft uitgewezen dat de zwarte druiven die gebruikt worden om champagne te maken elementen bevatten die het risico op hersenaandoeningen kan verlagen, zoals Alzheimer en dementie.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Het gaat hier over een onderzoek van de Britse Universiteit van Reading uit 2013 dat deze week werd opgepikt en massaal gedeeld werd op sociale media, waarna het opnieuw door een aantal kranten werd opgenomen. De studie is gebaseerd op experimenten met ratten. Drie groepen met elk 8 ratten kregen dagelijks ofwel champagne, ofwel een niet-alcoholische drank, ofwel een andere alcoholische drank (1). De drank werd in het voeder gemengd gedurende 6 weken. Na die periode werden alle ratten 8 keer losgelaten in een doolhof waarin voedsel verstopt werd. De onderzoekers wilden weten of de champagneratten de weg in het doolhof beter onthielden dan de andere ratten. De champagneratten vonden iets vaker hun weg naar het voedsel (gemiddeld 5,29 van de 8 keer) in vergelijking met de niet-alcoholische ratten (gemiddeld 3,5 keer) en de ratten die een andere alcoholische drank hadden gekregen (gemiddeld 4 keer).

De onderzoekers suggereerden dat bepaalde anti-oxidanten, die wel aanwezig zijn in champagne en niet in andere dranken, het geheugen van de champagneratten verbeterde. Na de proef werden de ratten gedood en hun hersenen werden onderzocht. In de hersenregio die gelinkt wordt aan het geheugen vonden de onderzoekers een verhoogde concentratie aan bepaalde eiwitten die een rol spelen in de groei van hersencellen.

De onderzoekers concludeerden dat bepaalde anti-oxidanten die typisch voorkomen in champagne bepaalde eiwitten in het geheugencentrum van ratten aanzetten tot groei.

Bron

(1) Corona G, Vauzour D, Hercelin J, et al. Phenolic Acid Intake, Delivered Via Moderate Champagne Wine Consumption, Improves Spatial Working Memory Via the Modulation of Hippocampal and Cortical Protein Expression/Activation. Antioxidants & Redox Signaling. Published online November 2013

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Dit onderzoek gaat over slechts 24 ratten, niet over mensen. Je kan dus zeker geen conclusies trekken voor het menselijk geheugen. De ratten kregen een bepaalde hoeveel champagne per gram lichaamsgewicht die, vertaald naar mensenmaat, zou overeenkomen met ongeveer 3 glazen per week.

Stel dat de anti-oxidanten in de champagne ook een impact zouden hebben op bepaalde eiwitten in het menselijk brein, dan kan je daar nog lang niet uit afleiden dat dit enig effect van betekenis zou hebben, zoals bijvoorbeeld het voorkomen van dementie of de ziekte van Alzheimer. Bij dit soort veronderstellingen, zoals ze uiteindelijk in diverse media verschijnen, worden heel wat stappen overgeslagen.

Overigens was het effect van champagne op het gedrag van de ratten zeer beperkt: het verschil met niet-alcoholische dranken was lichtjes beduidend (significant), maar het verschil met andere alcoholische dranken was zelfs verwaarloosbaar klein.

Conclusie

Hier worden veronderstellingen gemaakt op basis van enkele experimenten met ratten. De studie in kwestie geeft geen enkele aanwijzing dat champagne dementie zou kunnen voorkomen bij mensen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/11November/Pages/No-hard-evidence-champagne-can-prevent-dementia.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 10/11/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Doen hartpatiënten het beter wanneer ze op afstand medisch gevolgd worden?

foto bij artikel Doen hartpatiënten het beter wanneer ze op afstand medisch gevolgd worden?

In het nieuws

Hartpatiënten die na ontslag uit het ziekenhuis verder via internet medisch gevolgd worden, worden sneller fit, minder vaak in het ziekenhuis opnieuw opgenomen en kosten minder geld aan de gemeenschap.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Onderzoekers van de Universiteit Hasselt volgden 140 revaliderende hartpatiënten op. De helft van hen kreeg een toestelletje mee naar huis dat hen aanspoorde om meer aan lichaamsbeweging te doen, bovenop de traditionele revalidatieoefeningen in het ziekenhuis. Via het internet werd hun activiteit vanop afstand opgevolgd met behulp van sensoren, zoals een stappenteller en een hartslagmeter. Deze gegevens werden automatisch doorgezonden naar een centraal platform. De patiënt kreeg via e-mail of SMS feedback en werd zo op afstand gecoacht. Hun lichamelijke fitheid werd vergeleken met een controlegroep die niet vanop afstand werd gemonitord. De conditie van de patiënten die aan telerevalidatie deden ging er meer op vooruit dan die van de andere patiënten. Over het verloop van 1 jaar werden ze bovendien gemiddeld een halve dag minder in het ziekenhuis heropgenomen, wat aanleiding gaf tot een besparing van 500€ per patiënt.

Bron

(1) Frederix I et al. Effect of comprehensive cardiac telerehabilitation on one-year cardiovascular rehospitalization rate, medical costs and quality of life: A cost-effectiveness analysis. Eur J Prev Cardiol. 2015 Aug 19.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Dit is een degelijk uitgevoerde studie die kadert in een wereldwijde wetenschappelijke interesse in telegeneeskunde. De hoop is om patiënten zo kort mogelijk in het ziekenhuis te houden, zorgverstrekkers en ziekenhuizen te ontlasten, en mogelijk kosten te besparen. De voornaamste vaststelling van de Limburgse studie is dat de hartpatiënten die op afstand gevolgd werden iets minder kans liepen om heropgenomen te worden in het ziekenhuis. Het effect was weliswaar bescheiden: wie niet op afstand gevolgd werd, verbleef over het verloop van het volgende jaar gemiddeld (afgerond) 1 dag in het ziekenhuis, tegenover een halve dag voor de andere mensen.

Deze studie laat niet toe om harde conclusies te trekken. Het gaat om een vrij kleine groep van relatief jonge mensen (gemiddelde leeftijd 61 jaar) met uiteenlopende hartziekten. Aangezien de studie niet dubbelblind gebeurde is het niet uitgesloten dat de op afstand gevolgde patiënten sterker gemotiveerd waren om goed te presteren bij de inspanningstesten. Mogelijk gingen zij minder vaak naar het ziekenhuis omdat ze zich veilig voelden met de monitoring en niet omdat ze door de intensievere revalidatie gezonder waren.

Verder zegt deze studie ook niets over uitkomsten die er werkelijk toe doen voor patiënten: zullen ze dankzij de nieuwe technologie langer leven of zullen ze minder vaak een nieuw hartinfarct of aanval van hartfalen doen? Deze zogenaamd harde uitkomsten werden in andere recente overzichtsstudies wel bekeken. De resultaten zijn niet eenduidig. In een overzichtsstudie met 3.860 patiënten met hartfalen leefden diegenen die op afstand gevolgd werden langer dan de anderen (2). Een andere studie met 5.239 patiënten kon dit niet bevestigen (3).

Conclusie

Er is wereldwijd een grote interesse voor telegeneeskunde. Vele studies bij diverse types patiënten tonen erg verschillende uitkomsten op het effect ervan op de gezondheid. Voor hartpatiënten is het nog geen uitgemaakte zaak of het volgen op afstand werkelijk een meerwaarde biedt.

Referenties

(2) Inglis SC et al. Structured telephone support or non-invasive telemonitoring for patients with heart failure. Cochrane Database Syst Rev. 2015 Issue 10.

(3) Flodgren G at al. Interactive telemedicine: effects on professional practice and health care outcomes. Cochrane Database Syst Rev. 2015 Issue 9.

klokje bij datum van publicatie verschenen op 12/11/2015 | Cebam | geschreven door Hans Van Brabandt