Gaan light frisdranken en gezond eten hand in hand?

foto bij artikel Gaan light frisdranken en gezond eten hand in hand?

In het nieuws

Het drinken van light frisdranken gaat gepaard met een gezonder voedingspatroon en een lagere energie-inname. Dat is alleszins wat de frisdrankindustrie ons wil doen geloven.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Wie light frisdrank drinkt, eet gezonder en neemt minder calorieën op. Zo luidt één van de resultaten van een onderzoek uitgevoerd bij ongeveer 1500 Britse volwassenen (1). De proefpersonen hielden gedurenden vier dagen een eetdagboekje bij. Vervolgens werden ze op basis van de consumptie van frisdranken ingedeeld in 4 groepen variërend van geen gebruikers, gebruikers van light of gesuikerde frisdranken en gemengde gebruikers die zowel light als gesuikerde frisdranken consumeren. Via analyse van de voedingsgewoonten gingen de onderzoekers na of er verschillen waren tussen de 4 groepen. De groep die nooit frisdranken consumeert, heeft de gezondste voedingsgewoonten, gevolgd door de gebruikers van light frisdranken. Ook wat betreft de inname van energie scoren de niet-gebruikers en gebruikers van light frisdranken beter dan de twee overige groepen. De extra energie ingenomen door de gebruikers van gesuikerde frisdranken en de gemengde gebruikers was voor een groot deel afkomstig van de suikers aanwezig in de frisdrank. De niet-gebruikers hadden ook de beste inname van vitaminen en mineralen, hoewel de verschillen tussen de groepen heel klein waren. Opmerkelijk resultaat is dat de body mass index (BMI) van de niet-gebruikers en gebruikers van light frisdranken hoger is dan de BMI van diegenen die kiezen voor gesuikerde frisdranken.

Bron

(1) Gibson, S., Horgan, G. e.a. (2016). Low calorie beverage consumption is associated with energy and nutrient intakes and diet quality in Britisch adults. Nutrients, 8, 9, doi:10.3390/nu8010009

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het uitgangspunt van deze studie was de bewering dat light frisdranken de drang naar zoet verhogen waardoor mensen meer gaan eten te evalueren. Een beperkt aantal kleinere studies bij mensen en dieren had namelijk aangetoond dat zoetstoffen onze hersenen als het ware misleiden en de drang naar zoet doen toenemen (2). Onderzoeken naar het verband tussen het gebruik van light frisdranken en lichaamsgewicht tonen wisselende en soms tegenstrijdige resultaten (3). Ook uit deze studie blijkt dat gebruikers van light frisdranken een hogere BMI hebben dan de gebruikers van gesuikerde frisdranken.

Om het effect van light frisdranken op onze drang naar zoet grondig te onderzoeken dient een interventiestudie opgezet te worden waarbij verschillende hoeveelheden light frisdranken aan een voldoende grote groep proefpersonen gegeven wordt volgens een strikt protocol. Door te meten in welke mate de drang naar zoet en de voedselinname variëren, kan al dan niet besloten worden of er een effect is.

Bovenstaand onderzoek was echter een observationeel onderzoek waarbij enkel bepaalde verbanden kunnen gemeten worden. In dit geval hebben de onderzoekers gezien dat er een klein verband is tussen de consumptie van frisdranken en voedingsgewoonten. De consumptie van light frisdranken was echter eerder laag (gemiddeld 300 ml per dag). Indien de inname lager is dan de dosis die nodig is om een effect te hebben, kan je dit niet meten en onterecht besluiten dat er geen effect of verband is. Zo zou het kunnen dat een eventueel effect van light frisdranken en zoetstoffen pas optreedt bij een hogere inname. Vandaar dat het belangrijk is om verschillende dosissen met elkaar te vergelijken.

Bovendien kunnen we niet achterhalen wat oorzaak en gevolg is. Het zou kunnen dat mensen die gezondere voedingsgewoonten hebben, bewust kiezen om geen of light frisdrank te gebruiken, terwijl mensen met ongezondere voedingsgewoonten daar niet mee bezig zijn. De stellingen dat gezondere voedingsgewoonten gepaard gaan met het gebruik van light frisdranken en dat niet-gebruikers het gezondste voedingspatroon hebben, is allicht minder interessant voor de frisdrankindustrie die deze studie mee gefinancierd heeft.

Conclusie

Dagelijks een kleine hoeveelheid light frisdrank gebruiken heeft volgens deze studie geen negatieve invloed op je voedselinname, geen frisdrank gebruiken is nog beter. De studie kan echter niet uitsluiten dat je niet bijkomt door light frisdranken. Omwille van de onderzoeksopzet is het ook niet mogelijk om na te gaan of light frisdranken en zoetstoffen een invloed hebben op onze drang naar zoet en voedselinname.

Referenties

(2) Switchers, S. (2015). Artificial sweeteners are not the answer to childhood obesity. Appetite, 93, p. 85 – 90

(3) http://www.hsph.harvard.edu/nutritionsource/healthy-drinks/artificial-sweeteners/

klokje bij datum van publicatie verschenen op 23/02/2016 | Cebam | geschreven door Nina Van Den Broecke, lector Voedings- en Dieetkunde
Advertenties

Verlaagt mobiel bellen de spermakwaliteit?

foto bij artikel Verlaagt mobiel bellen de spermakwaliteit?

In het nieuws

Vruchtbaarheidsexperten waarschuwen de helft van de wereldbevolking: draag je gsm niet de hele dag in je broekzak en bel niet te veel. Het zou de kwaliteit van het sperma met meer dan de helft kunnen verminderen.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Mannen die meer dan een uur per dag mobiel bellen, riskeren een verminderde spermakwaliteit en vruchtbaarheidsproblemen, zo zou blijken uit een Israëlische studie (1). De onderzoekers includeerden 160 mannen met gemiddelde leeftijd 35 jaar, die zich met fertiliteitsproblemen aanboden in een ziekenhuis tussen 2011 en 2012. Naast een spermaonderzoek vulden de mannen uitgebreide vragenlijsten in over hun leefgewoonten (roken, drinken, lichaamsbeweging, …) en gezondheid. Zware rokers en zware drinkers alsook mannen met diabetes of met vaatziekten werden uitgesloten. Er bleven 80 mannen over voor de verdere analyse. Hen werd gevraagd hoe ze mobiel belden (met oortje of aan het oor) en waar ze hun mobieltje hielden (in hun broekzak of borstzak bijvoorbeeld). Ook werd gevraagd hoeveel tijd ze mobiel belden: minder dan 30 minuten, tussen 30 en 60 minuten, tussen 1 en 2 uur of meer dan 2 uur per dag. Nagenoeg alle mannen hadden een normaal spermavolume, normaal uitziende zaadcellen, maar iets minder dan de helft had een te lage concentratie zaadcellen in het sperma. Meer mannen met abnormaal weinig zaadcellen belden minstens een uur per dag met hun mobieltje in vergelijking met mannen met normale hoeveelheden zaadcellen (61% versus 39%). Waar ze hun mobieltje droegen (broekzak of borstzak) en of ze al dan niet een oortje gebruikten, had in deze studie geen impact op de zaadcelconcentratie.

De onderzoekers besluiten dat veel mobiel bellen mogelijk een impact heeft op het aantal zaadcellen in een spermastaal, maar niet op de hoeveelheid sperma noch op de vorm van de zaadcellen.

Bron

(1) Ziberlicht A, Wiener-Megnazi Z, Sheinfeld Y, et al. Habits of cell phone usage and sperm quality – does it warrant attention? Reproductive BioMedicine. Published online September 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om een kleine studie (slechts 80 mannen) die al kampten met vruchtbaarheidsproblemen bij aanvang, want ze werden gerekruteerd in een fertiliteitskliniek. Dat diegenen die meer dan een uur per dag bellen de laagste zaadcelconcentraties in het sperma hebben, kan toeval zijn. De studiegroep is namelijk te klein om uitspraken te doen, laat staan over de aard van het verband. Een ander zwak punt in de analyse is dat ze gebaseerd is op de geschatte tijd die mannen opgeven dat ze dagelijks mobiel bellen, wat niet helemaal betrouwbaar is. Overigens was een groot deel van de mannen met een lage concentratie zaadcellen ex-roker, wat misschien het resultaat kan beïnvloed hebben.

In de media werd vermeld dat mannen hun gsm best niet in hun broekzak dragen, maar deze studie vindt geen enkel verschil tussen broekzak en borstzak.

De onderzoekers geven zelf aan dat hun studie te beperkt is om uitspraken te doen.

Conclusie

Deze studie is veel te beperkt om uitspraken te doen over een mogelijk verband tussen gsm-gebruik en spermakwaliteit. Overigens werd helemaal geen verband gevonden tussen de plaats waar de gsm gedragen wordt en de spermakwaliteit.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/02February/Pages/Mobile-phone-use-linked-to-poor-sperm-quality.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 24/02/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

basisvaccinatieschema

Het basisvaccinatieschema is een overzicht van de aanbevolen vaccinaties die kinderen moeten krijgen om optimaal beschermd te zijn tegen een tiental infectieziekten. Het schema bepaalt op welke leeftijd de vaccinatie het best gebeurt. Het omvat de vaccins die de vaccinatoren, huisartsen, kinderartsen, Kind en Gezin en de CLB’s

Prik 1 (merknaam vaccin) Prik 2 (merknaam vaccin)
8 weken IPV-DTPa-Hib-HBV (Hexyon) Pnc-10 (Synflorix)
12 weken IPV-DTPa-Hib-HBV (Hexyon)
16 weken IPV-DTPa-Hib-HBV (Hexyon) Pnc-10 (Synflorix)
12 maanden MBR (MMR VAX Pro) Pnc-10 (Synflorix)
15 maanden IPV-DTPa-Hib-HBV (Hexyon) MenC (NeisVac-C)
6 jaar IPV-DTPa (Tetravac)*
10 jaar MBR (MMR VAX Pro)
12 jaar HPV (Cervarix)*
14 jaar dTpa (Boostrix)

* 2 dosissen met een interval van 6 maanden tussen beide dosissen

Legende

IPV geïnactiveerd injecteerbaar vaccin tegen polio HBV vaccin tegen hepatitis B
D vaccin tegen difterie (d: verlaagde dosis) HPV vaccin tegen humaan papillomavirus
T vaccin tegen tetanus MBR vaccin tegen mazelen, bof en rubella
Pa acellulair vaccin tegen pertussis (pa: verlaagde dosis) Pnc geconjugeerd vaccin tegenpneumokokken
Hib vaccin tegen Haemophilus influenzae type b MenC vaccin tegen meningokokken van serogroep C

Moedervlekken

Wat is het?

Je hebt verschillende soorten moedervlekken. Een ‘gewone’ moedervlek (naevus) is een bruinzwarte huidvlek. De kleur ontstaat door ophoping van pigmentcellen. Erfelijke factoren spelen een rol bij hun ontstaan. Langdurige en herhaalde blootstelling aan de zon kan het aantal moedervlekken doen toenemen.
Sproeten en de meeste bruine vlekjes die verschijnen onder invloed van de zon zijn geen moedervlekken, omdat ze geen pigmentcellen bevatten. Ook wratten zijn geen moedervlekken.

Hoe vaak komt het voor?

De meeste mensen hebben wel een paar moedervlekken. Kinderen onder de 10 jaar hebben er gemiddeld 2 tot 3. Op de leeftijd van 30 jaar is dit aantal toegenomen tot 20 à 30, maar het kunnen er ook honderden zijn.

Hoe kun je het herkennen?

Moedervlekken kunnen al van bij de geboorte aanwezig zijn of pas later verschijnen. Ze ontstaan bijna nooit na de leeftijd van 40 jaar.
De vlekjes ondergaan in de loop van de jaren veranderingen. Dat gebeurt zeer traag. Ze kunnen zeer wisselend zijn van uitzicht: qua vorm (kleine vlekjes, knobbeltjes), grootte (een paar mm tot gemiddeld 2 tot 6 mm), verspreiding over de huid, aantal (kinderen 2 tot 3, volwassenen 20 tot 30, soms honderden), kleur (huidkleurig, rozig, lichtbruin, donkerbruin tot bruin-zwart) en beharing (geen beharing of dikke, lange zwarte haren).
Moedervlekken zijn goedaardig. De randen zijn steeds goed afgelijnd. Wanneer een moedervlek op korte tijd duidelijk verandert, kan er sprake zijn van kwaadaardigheid. Let vooral op volgende kenmerken die hierop kunnen wijzen: snelle toename in grootte, donkere verkleuring, makkelijk bloedende letsels, ontstaan van zweren of kratertjes in de moedervlek, jeuk en pijn.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Meestal stelt de arts de diagnose op zicht. Verandering van de huidletsels wordt beoordeeld door jaarlijks een foto van de huid te nemen, en de opnames te vergelijken. Bij twijfel wordt het letsel weggenomen en microscopisch onderzocht in het labo.

Wat kun je zelf doen?

Je kunt de moedervlekken zelf beoordelen door er regelmatig een foto van te nemen. Je kunt de afmetingen nauwkeurig meten en noteren. Heb je de indruk dat de moedervlek in korte tijd groter wordt, dan kun je eventueel met een pen de moedervlek aflijnen. Als dat het geval is, ga je best naar de dokter.

Wat kan je arts doen?

Moedervlekken zijn goedaardige letsels en hoeven in principe niet behandeld te worden, tenzij ze hinderlijk zijn of uit esthetische overwegingen (gelaat).
Zijn er bepaalde tekenen die wijzen op kwaadaardige veranderingen, dan is verder onderzoek nodig. Meestal wordt een stukje weefsel van het letsel weggenomen (biopsie) voor onderzoek in het labo. Zo kan men een juiste diagnose bekomen en nagaan hoe diep het letsel in de huid groeit.
Wanneer de arts beslist om een moedervlek weg te nemen, dan gebeurt dat door shaving of excisie. Bij shaving schraapt men de moedervlek met een mesje af tot die gelijk is met de huid. Deze methode is enkel bruikbaar voor oppervlakkige letsels. Moedervlekken die in de diepte groeien, worden door excisie weggenomen. Hierbij snijdt men de volledige huid en zo nodig ook de weefsels eronder weg. Er wordt steeds ook een beetje van de gezonde huid weggenomen rond de vlek. Zo is de arts zeker dat er geen letselrestjes blijven zitten, want die kunnen aanleiding geven tot het opnieuw uitgroeien van de moedervlek.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
www.huidkanker.be
www.huidziekten.nl
http://www.thuisarts.nl/moedervlekken

verschenen op 18/02/2016

Kan paracetamol in de zwangerschap astma bij je kind veroorzaken?

foto bij artikel Kan paracetamol in de zwangerschap astma bij je kind veroorzaken?

In het nieuws

Zwangerschap en medicijnen gaan niet goed samen. Paracetamol in de zwangerschap zou dan toch tot astma kunnen leiden. Ook baby’s die de pijnstiller krijgen zouden meer risico lopen.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Paracetamol (onder andere in Dafalgan en Panadol) geldt als veilige pijnstiller voor zwangere vrouwen. Toch is al jaren sprake van een mogelijke link met astma bij het nageslacht. Een Noorse onderzoeksgroep zocht het nog eens uit (1). Gegevens over 114.761 kinderen geboren in Noorwegen tussen 1999 en 2008 werden vergeleken met gegevens over astma bij 53.169 van deze kinderen op 3 jaar en 25.394 kinderen op 7 jaar en gegevens over gebruik van medicatie voor astma. Aan de moeders van deze kinderen werd gevraagd of ze paracetamol hadden gebruikt in de zwangerschap, wanneer, hoeveel en voor welke indicatie. De onderzoekers hielden rekening met leeftijd van de moeder, rookgedrag, astma, antibioticagebruik, opleiding, lichaamsgewicht en aantal kinderen.

Uit analyse van alle gegevens bleek het volgende: 28% van de kinderen had een moeder die paracetamol had ingenomen tijdens de zwangerschap, 15% van de kinderen kreeg zelf paracetamol in de eerste zes levensmaanden, 19% kwam zowel prenataal als in de eerste zes levensmaanden met paracetamol in contact en 5,7% had astma op 3 jaar. Kinderen liepen iets meer risico op astma wanneer hun moeder de pijnstiller had genomen tijdens de zwangerschap of indien ze zelf al heel vroeg de pijnstiller hadden gekregen.

Bron

(1) Magnus MC, Karlstad Ø, Håberg SE, et al. Prenatal and infant paracetamol exposure and development of asthma: the Norwegian Mother and Child Cohort Study. International Journal of Epidemiology. Published online February 9 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Eerdere studies vonden een gelijkaardig verband tussen paracetamol en astma, maar veronderstelden dat niet de paracetamol, maar wel de luchtweginfectie van de moeder in de zwangerschap, oorzaak was van het licht verhoogde risico op astma. Deze studie suggereert echter dat toch de pijnstiller de rechtstreekse oorzaak zou kunnen zijn, maar meer onderzoek is nodig om dit te bevestigen. Een zwakte in deze studie is de bevraging van de moeders: zij moesten zich exact herinneren of, hoeveel en wanneer in de zwangerschap ze paracetamol hadden ingenomen.

Indien de pijnstiller inderdaad het risico op paracetamol bij kleine kinderen verhoogt, dat gaat het om een zeer beperkt risico, maar dit moet bevestigd worden.

Als vuistregel geldt: zo weinig mogelijk medicatie in de zwangerschap, maar indien nodig, is paracetamol een veilige keuze.

Conclusie

Deze studie suggereert dat gebruik van paracetamol in de zwangerschap of de eerste levensmaanden van de baby het risico op astma licht verhoogt.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/02February/Pages/Paracetamol-use-in-pregnancy-and-infancy-linked-to-child-asthma.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 22/02/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Zenuwaantasting (neuropathie) door diabetes

Wat is het?

De zenuwen van ons lichaam geven vanuit de hersenen prikkels door naar de spieren en de huid zodat we respectievelijk kunnen bewegen en voelen. Deze prikkels regelen ook de werking van de organen.
Een van de complicaties van diabetes is aantasting van de zenuwen. Te hoge bloedsuikerspiegels beschadigen immers de bloedvaten die de zenuwen van bloed voorzien. Belemmering van die toevoer heeft zijn weerslag op het functioneren van zenuwen. Het is dus erg belangrijk om je diabetes goed onder controle te houden.
Soms zijn de klachten veroorzaakt door zenuwaantasting het eerste teken van diabetes.
Afhankelijk van het beschadigde onderdeel van het zenuwstelsel delen artsen zenuwaantasting in in specifieke klinische ziektebeelden die gekenmerkt worden door typische symptomen.

Zenuwaantasting in de voeten
Deze vorm van zenuwaantasting komt heel vaak voor bij diabetes. Hierbij heb je last van een tintelend of verdoofd gevoel in de voeten. Dat is vaak pijnlijk. Ook spierkrampen en een rusteloos gevoel in de benen kunnen voorkomen. Hoe langer de zenuwaantasting aanwezig is, hoe meer de spieren verzwakken. In een vergevorderd stadium kunnen zelfs de handen aangetast zijn. Kenmerkend voor dit soort zenuwaantasting is dat de klachten symmetrisch zijn.
Je wordt druk of pijn in de voeten veel minder goed gewaar. Iemand met gezonde voetzenuwen die knellende schoenen draagt of bij lang marcheren blaren krijgt, zal omwille van de pijn zijn schoenen uitdoen en de voeten laten rusten. Mensen met zenuwaantasting zullen met knellend schoeisel veel langer blijven rondlopen, met ernstige wonden tot gevolg. Bovendien zijn bij diabetes vaak ook de bloedvaten beschadigd, wat genezing van de wonden bemoeilijkt. Dus blijven rondlopen met deze letsels zal de toestand alleen maar verergeren.

Andere soorten zenuwaantasting

Aantasting van de kleine zenuwvezels
Deze vorm van aantasting kan al aanwezig zijn bij licht verhoogde bloedsuikerwaarden, dus nog voor je diabetes hebt. Typische klachten zijn een branderig en tintelend verdoofd gevoel in de voeten. Je voelt minder goed koude en warmte. Spierklachten zijn er niet.

Zenuwaantasting met pijn in rug en bovenbeen
Dit komt meestal voor bij oudere mannen of personen van middelbare leeftijd bij wie de diabetes slecht onder controle is. Er is verminderde spiermassa en spierzwakte in de heup en dij. De klachten verminderen opvallend binnen de 6 en 18 maanden na het bereiken van een betere behandelingsbalans.

Druk op de zenuwwortel in de borstkas
Men herkent deze vorm van zenuwaantasting slecht. En toch komt het niet zelden voor. Deze aandoening begint tussen de 50 en 70 jaar bij patiënten met diabetes type 2. De belangrijkste klacht is hevige pijn aan een kant van de borstkas, die in enkele dagen tijd zijn piek bereikt. Dit gaat soms gepaard met gevoelsstoornissen en zwakte in borst- of buikspieren. Dikwijls verlies je dan gewicht. Deze aandoening verdwijnt meestal spontaan.

Mononeuropathie
Wanneer slechts een zenuw aangetast is, noemen we dit mononeuropathie. Typisch bij diabetes is de aantasting van de femoraliszenuw, wat pijn en spierzwakte in het bovenbeen veroorzaakt. Dit verdwijnt meestal spontaan.
Het carpaletunnelsyndroom komt vaak voor bij diabetes. De polszenuw is dan aangetast en veroorzaakt pijn en gevoelsstoornissen in de vingers.

Aantasting van de oogzenuwen
Deze vorm van zenuwaantasting kan leiden tot dubbelzien, afgezakt bovenste ooglid, de onmogelijkheid om een oog in een bepaalde richting te draaien, afwijkende oogstand (het oog staat bvb. naar buiten gedraaid) en een grotere pupil hetgeen het lezen bemoeilijkt. Dit geneest vaak spontaan.

Aantasting van de orgaanzenuwen
Wanneer de zenuwen van de organen beschadigd zijn, kan dit leiden tot de volgende klachten:
– verstoord hartritme,
– duizeligheid bij opstaan,
– diarree of obstipatie,
– misselijkheid na de maaltijd,
– problemen met plassen,
– erectiestoornissen,
– zweetstoornissen en veranderingen in de huid,
– verzwakken of verdwijnen van de symptomen van hypoglycemie (te lage suikerspiegel in het bloed),
– vochtophoping (oedeem),
– onregelmatig hartritme.

Hoe vaak komt het voor?

Elke diabeticus kan een of andere vorm van zenuwaantasting krijgen. Tot een vierde van alle mensen met diabetes zou klachten vertonen, en van alle personen met diabetes heeft 16% aanhoudende zenuwpijn (26% bij diabetes type 2).

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

Je arts kan door je vragen te stellen en een klinisch onderzoek te doen al heel wat te weten komen. Aantasting van de grotere zenuwen wordt vastgesteld via een naaldonderzoek of elektromyogram (EMG). Om aantasting van de kleinere zenuwen op te sporen, wordt de gevoeligheid van bepaalde lichaamsdelen getest. Een huidbiopsie kan bovendien verlies van kleine zenuwvezels aantonen.

Wat kun je zelf doen?

Zorg voor een goede voethygiëne. Was de voeten dagelijks grondig en droog ze goed af (voorkom verweking tussen de tenen). Voorkom kloven (vooral aan de hielen) en gebruik een hydraterende zalf. Verzorg de nagels, knip ze recht af om ingroeien te voorkomen, en vijl de scherpe kanten bij voorkeur weg met een kartonnen vijltje. Draag goede kousen en schoeisel, zowel binnen- als buitenshuis. Zorg ervoor dat je geen verwondingen oploopt. Loop dus niet op blote voeten en vermijd contact met warmtebronnen. Laat eeltplekken en eksterogen verwijderen door een pedicure of podoloog; doe dat zeker niet zelf! Controleer je schoenen op oneffenheden en vreemde voorwerpen alvorens ze aan te trekken. Bekijk je voeten dagelijks en betast ze. Zo vervang je het pijnalarm. Schakel zo nodig de hulp in van een huisgenoot of een thuisverpleegkundige. Waarschuw onmiddellijk een arts als je een blaar of wonde aan de voet hebt. Zorg ervoor dat je diabetes optimaal onder controle is. Stop met roken, want roken verergert de zenuwaantasting.

Wat kan je arts doen?

Bepaalde geneesmiddelen tegen depressie en epilepsie kunnen een gunstig effect hebben op zenuwpijn bij diabetes. Helpen deze niet of zijn ze niet geschikt, dan kan de arts pijnstillers voorschrijven die morfine of morfineachtige stoffen bevatten.
Om de pijn te verlichten kan transcutane zenuwstimulatie (TENS) worden overwogen. Hierbij plaatst men elektroden op de huid die elektrische stroom opwekken. De stroom prikkelt de zenuwen, waardoor de pijn vermindert.
Als je lijdt aan een aantasting van de orgaanzenuwen, kan de arts je geneesmiddelen voorschrijven die de klachten van duizeligheid bij het opstaan, van misselijkheid of diarree verminderen.

Meer weten?

Lees ook onze andere patiëntenrichtlijnen over diabetes:
Diabetes: wat is het en hoe wordt de diagnose gesteld?
Diabetes type 2: wat na de diagnose?
Diabetes: hypoglycemie (te lage bloedsuikerspiegel)
Diabetes type 2: behandeling en opvolging
Diabetes type 2: gezonde eet- en leefgewoonten
Suikerverlagende geneesmiddelen bij diabetes type 2

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
www.bcfi.be
www.domusmedica.be
www.diabetes-vdv.be/chronische verwikkelingen diabetes/zenuwe

Verhogen maagmedicijnen genre omeprazol het risico op dementie?

foto bij artikel Verhogen maagmedicijnen genre omeprazol het risico op dementie?

In het nieuws

Een erg populair geneesmiddel dat honderdduizenden Belgen gebruiken tegen maagproblemen zou het risico op dementie met 44% verhogen volgens een studie van het Duitse Centrum voor Neurodegeneratieve Ziektes.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Een Duitse onderzoeksgroep volgde meer dan 10.000 mensen ouder dan 75 jaar gedurende een periode van 7 jaar en ging na hoeveel van hen dementie ontwikkelden (1). Van deze deelnemers namen er 2.950 protonpompinhibitoren: dit zijn populaire medicijnen die worden voorgeschreven bij maagontsteking en maagzweren (2), waaronder omeprazol, pantoprazol, lansoprazol, esomeprazol en rabeprazol. Zij namen minstens één doosje om de vier maanden. De overige 70.729 deelnemers namen deze maagmedicijnen niet in. Het risico op het ontwikkelen van dementie was 66% hoger in de groep die deze maagmiddelen had ingenomen in vergelijking met de groep die dat niet had gedaan. Beide groepen verschilden echter nog op een aantal punten: diegenen die de maagmedicijnen innamen, hadden over het algemeen een minder goede gezondheid in vergelijking met de anderen: zo hadden ze vaker diabetes en hartaandoeningen, aandoeningen die ook geassocieerd worden met een hoger dementierisico, en namen ze meer medicijnen in. Wanneer deze invloeden in rekening gebracht werden, dan zakte het risico op dementie in de omeprazol- en co-groep naar 44%, wat wel nog steeds een verhoogd risico is.

De onderzoekers besluiten dat maagmedicijnen, genre omeprazol, best vermeden worden, omdat ze misschien het risico op dementie verhogen.

Bron

(1) Gomm W, van Holt K, et al. Association of Proton Pump Inhibitors With Risk of Dementia – A Pharmacoepidemiological Claims Data Analysis. JAMA Neurology. Published online February 15 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Deze studie vindt een verband, maar dat is niet noodzakelijk een oorzakelijk verband, tussen bepaalde maagmedicijnen en dementie. Misschien spelen nog andere, onbekende factoren een rol in het ontwikkelen van dementie. Anderzijds hebben dierproeven eerder aangetoond dat maagmedicijnen uit de klasse van protonpompinhibitoren het gehalte aan bèta-amyloïd, dit is een abnormaal eiwit dat typisch bij dementie voorkomt, doet toenemen in het brein van proefmuizen. Er is geen verklaring voor dit verband, maar het verdient wel verder onderzoek. Te veel mensen slikken deze middelen tegen maaglast.

Conclusie

Onderzoekers vinden een verband tussen het gebruik van protonpompinhibitoren, dit is een klasse medicijnen die gebruikt wordt bij ernstige maagproblemen (de bekendste is omeprazol), en dementie op oudere leeftijd. Het is nog niet duidelijk of dit verband oorzakelijk is, maar het verdient wel verder onderzoek, want te veel mensen slikken deze medicijnen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/02February/Pages/Link-between-indigestion-drugs-and-dementia-inconclusive.aspx

(2) bijsluiter omeprazol

klokje bij datum van publicatie verschenen op 18/02/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst