Is goede cholesterol dan toch niet zo goed?

foto bij artikel Is goede cholesterol dan toch niet zo goed?

In het nieuws

Sommige mensen met een hoog gehalte aan HDL-cholesterol, ook goede cholesterol genoemd, zouden dan toch meer risico lopen op hart- en vaatziekten, zeggen Amerikaanse onderzoekers.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Cholesterol wordt in het lichaam getransporteerd door binding aan zogenaamde transporteiwitten. Twee daarvan zijn LDL en HDL. Wanneer cholesterol gekoppeld is aan HDL, dan wordt het weggevoerd uit de bloedvaten en verwerkt in de lever. Hangt cholesterol daarentegen vast aan LDL, dan blijft het in de bloedvaten hangen, waar het blijft plakken aan de bloedvatwand en bijdraagt aan de vorming van atherosclerose (aderverkalking). Daarom noemt men HDL-cholesterol ‘goede’ cholesterol en LDL-cholesterol ‘slechte’ cholesterol. Onderzoek naar geneesmiddelen die de HDL-cholesterol verhogen, blijken echter teleurstellend: ze hebben amper impact op het risico op hart- en vaatziekten. Op zoek naar een verklaring analyseerden onderzoekers van de Universiteit van Pennsylvania bloedstalen van 328 mensen met uitzonderlijke hoge concentraties van HDL-cholesterol en vergeleken die met stalen van 398 mensen met uitzonderlijke lage HDL-waarden (1). Ze ontrafelden alle genen (bijna 1.000) die een rol spelen bij bloedwaarden van cholesterol en ontdekten dat sommige mensen met zeer hoge HDL-waarden een mutatie dragen in één of beide kopieën van het SCARB1-gen, waardoor het circulerende HDL-cholesterol niet langer wordt opgenomen in de lever en het risico op hart- en vaatziekten dan toch niet vermindert. Wanneer de onderzoekers hun bevindingen combineerden met eerder onderzoek met betrekking tot duizenden mensen met en zonder hart- en vaatziekten, dan vonden ze dat diegenen met hoge HDL-waarden en de genmutatie in SCARB1 toch een hoger risico liepen op hart- en vaatziekten.

Bron

(1) Zanoni P, Khetarpal SA, Larach DB, et al. Science. Rare variant in scavenger receptor BI raises HDL cholesterol and increases risk of coronary heart disease. Science. Published online March 11 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De studie stelt vast dat het onderscheid tussen goede en slechte cholesterol minder strikt is dan aanvankelijk gedacht. In aanwezigheid van een bepaalde genetische variant blijft de zogenaamde goede cholesterol toch in het bloed circuleren, waardoor het risico op dichtslibben en hart- en vaatziekten toeneemt. Het gaat echter om een minderheid: in deze studie met 328 mensen met uitzonderlijke hoge HDL-waarden had slechts 3% twee kopieën van de mutatie. Twee kopieën blijken nodig om enig effect te hebben op het risico op hart- en vaatziekten. Dergelijke bevindingen zijn ongetwijfeld interessant voor de geneesmiddelenindustrie, maar veranderen niets voor de consument. Het advies blijft: beperk de consumptie van cholesterol en verzadigde vetten.

Conclusie

Onderzoekers stellen vast dat een kleine groep mensen met zeer hoge HDL-cholesterolwaarden, beter bekend als ‘goede’ cholesterol, een genetische variant dragen van een gen dat een rol speelt in de cholesterolhuishouding. Door die variant, die eerder zeldzaam is, blijkt hun goede cholesterol minder gunstig. Voor de consument heeft dergelijk onderzoek geen directe implicaties.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/study-suggests-gene-may-turn-good-cholesterol-into-bad.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 15/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Beter in één keer stoppen met roken of eerst minderen?

foto bij artikel Beter in één keer stoppen met roken of eerst minderen?

In het nieuws

Na zes maanden is ruim een op de vijf van de mensen die de sigaretten radicaal afzworen nog steeds clean, terwijl dat geldt voor een op de zeven van de mensen die langzaam afbouwden. Dat schrijven Britse onderzoekers.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Onderzoekers van diverse Britse universiteiten wilden weten welke methode de grootste kans geeft om te stoppen met roken: in één keer stoppen of eerst geleidelijk aan het aantal sigaretten verminderen en vervolgens stoppen (1). Iets minder dan 700 volwassenen die graag wilden stoppen met roken namen aan de studie deel. Ze werden willekeurig toegewezen aan twee groepen: 355 mensen aan de ‘abrupte-stop-groep’ en 342 mensen aan de ‘geleidelijk-minderen-groep’. Deelnemers rookten gemiddeld 15 sigaretten of minstens 12,5 gram roltabak per dag en hadden een koolstofmonoxideconcentratie in de uitgeademde lucht van minstens 15 ppm (parts per million). De groep die geleidelijk aan zou minderen diende in twee weken tijd het aantal sigaretten per dag met 75% te reduceren en in de derde week volledig te stoppen. Zij mochten een nicotinevervanger gebruiken (spray, kauwgom of pleister) in de dagen voor de rookstop en erna. De groep die abrupt zou stoppen mocht enkel de dag voor de stop een nicotinepleister gebruiken en na de stopdag ook kortwerkende nicotinevervangers, zoals spray en kauwgom. Na vier weken was 39,2% van diegenen die geleidelijk hadden geminderd nog gestopt met roken, tegenover 49% die in één keer gestopt was. Na zes maanden was 15,5% in de groep die geleidelijk geminderd had nog rookvrij tegenover 22% van diegenen die in één keer gestopt waren.

De onderzoekers besluiten dat je meer kans hebt om van het roken af te geraken wanneer je dat in één keer doet in plaats van het aantal sigaretten geleidelijk te verminderen.

Bron

(1) Lindson-Hawley N, Banting M, West R, et al. Gradual Versus Abrupt Smoking Cessation: A Randomized, Controlled Noninferiority Trial. Annals of Internal Medicine. Published online March 15 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Dit is een goed uitgevoerde studie bij een grote groep volwassenen die graag wilde stoppen met roken. Als hulpmiddelen gebruikten ze nicotinevervangers genre pleister, spray of kauwgom. De elektronische sigaretten, zeer populair in Groot-Brittannië, werden bewust niet aangeboden, omdat de onderzoekers menen dat deze hulpmiddelen de rookstop bemoeilijken (je blijft de handeling van roken uitvoeren). Andere nicotinevervangsystemen moeten ook worden afgebouwd, maar dat lukt meestal goed tussen 8 tot 12 weken, afhankelijk van de oorspronkelijke nicotineverslaving.

Het verschil tussen geleidelijk te verminderen alvorens volledig te stoppen en abrupt stoppen is niet zo groot. Daarom is het moeilijk om één bepaalde methode aan te bevelen aan rokers die wensen te stoppen. Ieder moet zelf kiezen wat hem of haar het beste ligt. Naast de nicotinevervangers bestaan er nog andere hulpmiddelen, waaronder de geneesmiddelen Zyban en Champix, alsook begeleiding door een rookstopcoach. Deze vormen van rookstophulp werden niet in dit onderzoek opgenomen.

Diverse websites maken rokers in Vlaanderen wegwijs in de bestaande rookstophulp (2).

Conclusie

Wie wil stoppen met roken heeft meer kans op slagen wanneer dat abrupt gebeurt in plaats van geleidelijk aan het aantal sigaretten te verminderen.

Referenties

(2) www.tabakstop.bewww.tabakstop.be

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/Quitting-smoking-overnight-better-than-cutting-down-gradually.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 16/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Wordt olijfolie kankerverwekkend door verhitting?

foto bij artikel Wordt olijfolie kankerverwekkend door verhitting?

Door u gekozen

Olijfolie behoort wereldwijd tot een van de meest gebruikte bereidingsvetten. Regelmatig krijgen we de vraag of olijfolie wel kan gebruikt worden voor warme bereidingen en deze niet kankerverwekkend wordt door verhitting.

Wat is hierover geweten?

Olijfolie wordt gewonnen uit het vruchtvlees en de pitten van olijven. Afhankelijk van de gebruikte methode kan een onderscheid gemaakt worden tussen extra vierge, vierge en gewone, geraffineerde olijfolie. Extra vierge olie wordt beschouwd als de meest superieure olie met de beste smaak en de hoogste voedingswaarde. Ze is rijk aan bioactieve stoffen waaronder antioxidanten (1).

Vanaf het moment dat olie, ongeacht de herkomst, verhit wordt, gaat de kwaliteit achteruit. De snelheid waarmee dit gebeurt, is afhankelijk van de samenstelling van de olie, de duur van verhitting en de temperatuur. Wat betreft de samenstelling is vooral het gehalte aan onverzadigde vetten en de zuiverheid van de olie bepalend. Olijfolie is rijk aan enkelvoudig onverzadigde vetten die beter bestand zijn tegen verhitting dan oliesoorten rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren. Zowel extra vierge, vierge als geraffineerde olijfolie zijn hittestabiel. De geraffineerde olijfolie bevat minder onzuiverheden dan (extra) vierge olijfolie, maar uit onderzoek is gebleken dat de antioxidanten aanwezig in de (extra) vierge olijfolie de vetten net beschermen tegen afbraak. Ook de vorming van acroleïne, een kankerverwekkende stof, is kleiner dankzij de aanwezige vetzuren en de bioactieve stoffen. Helaas worden deze bioactieve stoffen in snel tempo afgebroken bij verhitting (1,2).

Wanneer olijfolie echter te lang en te sterk verhit wordt, ontstaan er tal van afbraakproducten waaronder PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Een aantal van deze PAK’s zijn kankerverwekkend. Onderzoek heeft aangetoond dat wanneer olijfolie gedurende lange tijd hoger dan 200°C verhit wordt, er inderdaad PAK’s gevormd worden (3). Op zich is dit niet verwonderlijk, gezien de rooktemperatuur van olijfolie tussen de 185°C (voor (extra) vierge olijfolie) en 205°C (voor geraffineerde olijfolie) ligt. De rooktemperatuur is de temperatuur waarbij er schadelijke afbraakproducten gevormd worden (4).

Daarnaast kunnen PAK’s via lucht- en waterverontreiniging en tijdens de productie in olijfolie terecht komen. Om de consument te beschermen zijn er wettelijke maximale gehaltes die niet mogen overschreden worden. In België is het FAVV verantwoordelijk voor de controle. Uit onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie blijkt dat het gehalte van PAK’s in (extra)vierge olijfolie iets hoger ligt dan in geraffineerde olijfolie, maar dat de wettelijke limieten zelden overschreden worden en dat vooral de niet-kankerverwekkende PAK’s aangetroffen worden. De waarden liggen ook in dezelfde grootorde als van andere oliesoorten (5). Dit wordt bevestigd in het activiteitenverslag van het FAVV waaruit blijkt dat geen enkel product uit de groep ‘zaden, plantaardige oliën en oliehoudende zaden’ de wettelijke limiet overschrijdt (6).

Hoe kunnen we dit interpreteren?

Olijfolie, in al zijn vormen, kan gebruikt worden voor warme bereidingen in de keuken. Belangrijk hierbij is om, zoals bij elke olie, de olijfolie niet te sterk te verhitten en de bereidingstijd zo kort mogelijk te houden.

Omdat bij frituren olie herhaaldelijk en langdurig op 175–180°C wordt verwarmd, wordt hierbij de voorkeur gegeven aan geraffineerde olijfolie, die een hoger rookpunt heeft dan extra vierge olijfolie. Wil je optimaal genieten van de smaak en de aanwezige bioactieve stoffen, dan kan je extra vierge olijfolie best koud gebruiken of pas op het einde toevoegen aan warme bereidingen.

Conclusie

Olijfolie behoort tot de meest hittestabiele oliesoorten. Bij correct gebruik van olijfolie is er geen enkele reden om aan te nemen dat deze kankerverwekkend wordt.

Referenties
  1. Santos, C., Cruz, R., Cunha, S. & Casal, S. (2013). Effect of cooking on olive oil quality attributes. Food research International, 54, 2016 – 2024
  2. Kalantzakis, G., Blekas, G., Pegklidou, K. & Boskou D. (2006). Stability and radical-scavenging activity of heated olive oil and other vegetable oils. European journal of lipid science and technologie, 108, 329 – 335
  3. Hao, X., Li, J. & Yao, Z. (2016). Changes in PAHs levels in edible oils during deep-frying process. Food Control, 66, 233 – 240
  4. http://www.oliveoilsource.com/page/heating-olive-oil
  5. Zuzana Zelinkova & Thomas Wenzl (2015) The Occurrence of 16 EPA PAHs in Food – A Review, Polycyclic Aromatic Compounds, 35:2-4, 248-284, DOI:10.1080/10406638.2014.918550
  6. http://www.favv.be/activiteitenverslag/2014/monsternemingenanalyses/pak/
klokje bij datum van publicatie verschenen op 17/03/2016 | Cebam | geschreven door Nina Van Den Broecke, lector Voedings- en Dieetkunde

Krijgen lastige patiënten vaker een verkeerde diagnose?

foto bij artikel Krijgen lastige patiënten vaker een verkeerde diagnose?

In het nieuws

Dokters zullen sneller een verkeerde diagnose stellen wanneer ze geconfronteerd worden met onbeleefde of agressieve patiënten. Dat blijkt uit onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Het gaat hier om een experimentele studie waarbij 63 jonge huisartsen in het laatste jaar van hun opleiding boekjes kregen met scenario’s van patiënten en hun klachten, en op basis van deze beschrijvingen een diagnose moesten stellen (1). De onderzoekers wilden nagaan of de houding van de patiënt een invloed heeft op de accuraatheid van de diagnose. Er werden 6 situaties beschreven: 3 eenvoudige ziektebeelden en 3 complexe. De hypothetische patiënten waren ofwel neutraal, ofwel lastig: onbeleefd, agressief, de kennis van de arts in twijfel trekkend, zich hopeloos voordoend. De deelnemende dokters dienden de casussen te lezen en vervolgens drie taken uit te voeren: zo snel mogelijk een diagnose stellen, rustig de tijd nemen om een diagnose te stellen en argumenten aangeven waarom men tot die diagnose komt, en de houding van de patiënt een score toekennen (aangename patiënt of niet).

De analyse toont het volgende: de diagnose wordt vaker correct gesteld bij een eenvoudig medisch probleem, ook bij lastige patiënten. Wanneer men meer tijd neemt om tot de diagnose te komen en kan reflecteren over de klachten, komt men eveneens vaker tot een correcte diagnose. Echter, globaal is de kans op een foute diagnose groter bij lastige patiënten dan bij neutrale patiënten.

Bron

(1) Schmidt HG, van Gog T, Schuit SCE, et al. Do patients’ disruptive behaviours influence the accuracy of a doctor’s diagnosis? A randomised experiment. BMJ Quality & Safety. Published online March 7 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De grote beperking van dit onderzoek is dat men geen uitspraken kan doen over hoe het er aan toe zou gaan in een reële dokterspraktijk. In reële situaties kan de arts bijvoorbeeld ook repliek geven bij een lastige patiënt. Een studie met simulatiepatiënten was dan ook realistischer geweest. Bovendien ging het hier enkel om jonge huisartsen. Mogelijk zijn oudere huisartsen al wat meer gewoon en worden hun diagnoses minder beïnvloed door vervelend gedrag van een patiënt.

De studie maakt wel duidelijk dat de dokter ook gevoelens heeft en dat lastige patiënten ongewild een invloed kunnen uitoefenen op het denken van hun arts. Het lastige gedrag in deze studie had overigens niets met assertiviteit te maken. Assertieve patiënten die kritische bedenkingen hebben bij de werkwijze van hun arts, kunnen dit ook op een beleefde manier uiten. Bijvoorbeeld: Is de behandeling die u voorstelt mijn enige optie, of zijn er nog alternatieven denkbaar? Of nog: Wat kan er gebeuren indien ik deze behandeling niet volg?

Conclusie

Deze Nederlandse studie, uitgevoerd bij jonge huisartsen uit Rotterdam, suggereert dat lastige patiënten een impact hebben op hun arts, mogelijk zelfs in die mate dat ze vaker tot een foute diagnose komen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/Pushy-or-rude-patients-more-likely-to-be-misdiagnosed.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 18/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Kan het geheugen bij alzheimerdementie teruggehaald worden?

foto bij artikel Kan het geheugen bij alzheimerdementie teruggehaald worden?

In het nieuws

Amerikaanse wetenschappers zijn erin geslaagd verloren gegane herinneringen bij muizen met beginnende Alzheimer weer tot leven te wekken.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Amerikaanse onderzoekers wilden weten hoe geheugenverlies bij beginnende ziekte van Alzheimer precies werkt. Daartoe zetten ze een reeks experimenten op met zogenaamde alzheimermuizen: dit zijn genetisch gemanipuleerde proefmuizen die gelijkaardige symptomen ontwikkelen als mensen met de ziekte van Alzheimer (1). Deze muisjes verliezen hun langetermijngeheugen (24 uur) en behouden het kortetermijngeheugen (1 uur). Bij één van de experimenten kregen proefmuizen elektrische schokken via hun pootjes terwijl ze in een kooi zaten met een specifieke vorm, kleur en geur. Muisjes in gevaar houden zich schijndood. Wanneer normale proefmuizen een dag later opnieuw in dezelfde kooi gezet worden, gaan ze zich meteen schijndood gedragen: een gekende schrikreactie, want ze herinneren zich het voorval van een dag eerder. De alzheimermuisjes doen dat niet, omdat ze het voorval vergeten zijn.

De onderzoekers stimuleerden de geheugenzone in de hersenen van de alzheimermuisjes met blauw licht. Vervolgens werden ze een dag later opnieuw in de kooi gezet. Na ‘behandeling’ met blauw licht vertoonden ze wel een schrikreactie. De onderzoekers dissecteerden de hersenen van de muizen en stelden vast dat de breincellen, verantwoordelijk voor het geheugen, door het blauw licht nieuwe uitlopers gekregen hadden. Dat zou de reden kunnen zijn waarom hun langetermijngeheugen zich opnieuw hersteld had.

De onderzoekers besluiten dat het geheugen bij alzheimerdementie waarschijnlijk niet weg is, maar dat het niet meer kan geraadpleegd worden, omdat de communicatie tussen hersencellen mank loopt.

Bron

(1) Roy DJS, Arons A, Mitchell TI, et al. Memory retrieval by activating engram cells in mouse models of early Alzheimer’s disease. Nature. Published online March 16 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om een reeks dierexperimenten, waarvan de resultaten niet zomaar opgaan voor de mens. Overigens kan je dergelijke experimenten niet testen bij mensen. Toch zijn de resultaten intrigerend. Tot nog toe werd aangenomen dat herinneringen bij de ziekte van Alzheimer gewist werden (zoals op een harde schijf), maar het zou dus kunnen dat de herinneringen er nog zijn, maar niet meer kunnen opgediept worden door een manke communicatie tussen hersencellen van het geheugencentrum. Dit werpt nieuw licht op de ziekte en creëert nieuwe hoop.

Bij deze experimenten werden enkel muisjes gebruikt met beginnende dementie-achtige verschijnselen, nog voor er abnormale veranderingen zichtbaar worden in het brein. Stel dat de experimenten uitzicht geven op een therapie, dan zou die moeten toegepast worden nog voor er duidelijk sprake is van de ziekte van Alzheimer, wat een bijkomend obstakel is.

Conclusie

Uit een reeks dierexperimenten blijkt dat geheugenstoornissen bij genetisch gemanipuleerde muisjes die dementie-achtige verschijnselen vertonen, tijdelijk ongedaan kunnen gemaakt worden door de betrokken hersenzone met blauw licht te stimuleren. De geheugencellen in het brein van deze muisjes gingen groeien en hun geheugen kwam min of meer terug. Een boeiende vondst, maar nog veraf van het menselijke brein.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/Memories-taken-by-Alzheimers-could-possibly-be-retrieved.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 21/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Verkort autisme het leven?

foto bij artikel Verkort autisme het leven?

In het nieuws

Mensen met autisme sterven gemiddeld achttien jaar vroeger. Zelfmoord is de voornaamste doodsoorzaak. Dat meldden Zweedse onderzoekers.

Waar komt dit nieuws vandaan?

In Zweden zouden mensen met autisme en autisme spectrumstoornis (ASS) slechts gemiddeld 54 jaar worden. Dat shockerende cijfer is afkomstig van een onderzoek gevoerd aan het Zweedse Karolinski Instituut (1). De auteurs namen alle dossiers van 27.122 Zweden die tussen 1987 en 2009 de diagnose ASS kregen onder de loep en vergeleek ieder dossier met dossiers van vergelijkbare personen, qua leeftijd, geslacht en afkomst, in Zweden, maar zonder ASS. Ze gingen na hoeveel mensen overleden waren in de bestudeerde periode en aan welke doodsoorzaken. De autismegroep werd verder onderverdeeld in ASS met normale intelligentie, ASS met een hoog IQ (Aspergersyndroom) en ASS met ontwikkelingsstoornissen als gevolg van een laag IQ. De eerste vaststelling was dat mensen met ASS vroeger overleden dan mensen zonder ASS: voor de mensen in de studieperiode bedroeg de gemiddeld leeftijd 54 jaar in vergelijking met 70 jaar in de controlegroep. Ongesplitst naar categorie en geslacht, vonden de onderzoekers volgende associaties: ASS-personen met een laag IQ lopen 5 keer meer risico op vroegtijdig overlijden en ASS-personen met een hoog IQ (Asperger) dubbel zoveel risico. Voor vrouwen met ASS en laag IQ zijn de cijfers het minst gunstig: ze lopen 8 keer meer risico op vroegtijdig overlijden. Twee doodsoorzaken vallen extra op bij mensen met autisme: zelfdoding en epilepsie. Mensen met ASS lopen 7,5 keer meer risico op zelfdoding, vooral in de groep met de hoogste intelligentie (Asperger). Eigenaardig genoeg liepen vrouwen met ASS meer risico op zelfdoding dan mannen met ASS. In de normale bevolking is dit omgekeerd. Mensen met ASS lopen 7,5 keer meer risico te overlijden door epilepsie, vooral de groep met lage intelligentie.

Bron

(1) Hirvikoski T, Mittendorfer-Rutz E, Boman M, et al. Premature mortality in autism spectrum disorder. British Journal of Psychiatry. Published online March 1 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Deze cijfers zullen (ouders van) mensen met autisme en ASS ongetwijfeld afschrikken. Deze studie gaat over een weliswaar grote groep Zweden gedurende een afgelijnde periode (1987 tot 2009), maar kan niet zo maar veralgemeend worden. De studie bewijst ook niet dat autisme het leven verkort, want deze analyse laat niet toe uitspraken te doen over de aard van het verband. Toch is er duidelijk iets aan de hand, maar naar de verklaringen blijft het gissen. De onderzoekers schuiven enkele hypothesen naar voor: mensen met autisme zijn mogelijk vaker depressief, maar kunnen dat niet goed uiten, waardoor ze minder goed opgevangen en/of behandeld worden. De gezondheidszorg is niet vertrouwd met fysieke en mentale klachten van mensen met autisme, omdat ze deze mogelijk anders of zelfs niet uiten. Ze vragen daarom meer aandacht voor mensen met autisme. Verder onderzoek is aangewezen.

Conclusie

Deze studie kan niet bewijzen dat autisme het leven verkort, maar de spectaculaire cijfers vormen wel een wake-up call. Mensen met autisme zijn waarschijnlijk minder goed in het uiten van lichamelijke en mentale klachten die niets met hun autismestoornis te maken hebben, waardoor ze minder goed worden opgevangen en/of behandeld bij ziekte of problemen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/People-with-autism-are-dying-younger-warns-study.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 22/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Kan een extreem dieet diabetes genezen?

foto bij artikel Kan een extreem dieet diabetes genezen?

In het nieuws

Een extreem dieet van acht weken kan ervoor zorgen dat mensen die nog maar net de diagnose diabetes type 2 hebben van de ziekte af kunnen komen. Dat blijkt uit een nieuwe studie.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Onderzoekers van de Schotse universiteit van Glasgow zetten 30 mensen met diabetes type 2 op een streng laag calorisch dieet van maximum 700 calorieën per dag (1). Het ging om een groep sterk gemotiveerde vrijwilligers met overgewicht die bereid waren om gedurende 8 weken te leven op dieetshakes (geprepareerde drankjes die een maaltijd vervangen) en wat groenten. De onderzoekers wilden weten of hun diabetes kan verdwijnen mits voldoende gewichtsverlies. Na 8 weken streng diëten volgden ze gedurende 6 maanden een minder streng, gezond dieet. Ze werden geregeld gewogen en onderzocht. De onderzoekers gingen na hoe de insulineconcentratie, het bloedsuikergehalte en hoeveelheid vet in de lever en het pancreas evolueerden. Het gewicht van de deelnemers verminderde van gemiddeld 98 kg bij aanvang van de studie naar 84,7 kg op het einde. Van de 30 deelnemers evolueerden er 12 naar een normale glucose- en insulineconcentratie: zij hadden dus geen diabetes meer. Diegenen die wel nog diabetes hadden op het einde van het onderzoek waren niet minder gewicht kwijt, maar ze waren wel wat ouder (gemiddeld 60 jaar in vergelijking met 52 jaar bij de genezen deelnemers) en kampten al langer met diabetes (gemiddeld 9,8 jaar in vergelijking met 3,8 jaar in de genezen groep). Het vetgehalte in de lever en het pancreas was bij alle deelnemers sterk verminderd.

De onderzoekers besloten dat een streng dieet mensen kan genezen van diabetes type 2, wanneer ze de ziekte nog niet te lang hebben. De genezen groep was na zes maanden nog steeds diabetesvrij.

Bron

(1) Steven S, Hollingsworth KG, Ar-Mrabeh A, et al. Very-Low-Calorie Diet and 6 Months of Weight Stability in Type 2 Diabetes: Pathophysiologic Changes in Responders and Nonresponders. Diabetes Care. Published online March 21 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Mensen met overgewicht en diabetes type 2 die streven naar een gezond gewicht, zouden kunnen genezen van hun diabetes. Vraag is wie zo’n streng dieet lang kan volhouden: 700 calorieën betekent een derde van de normale dagelijkse caloriebehoefte voor vrouwen en een vierde van de normale behoefte voor mannen. Stel dat dit lukt en mensen vermageren fors, dan moeten ze hun nieuwe gewicht ook blijven volhouden door over te schakelen naar een permanent gezond dieet.

Helaas waren niet alle deelnemers aan deze studie ondanks hun zware inspanning genezen, terwijl ze toch ongeveer evenveel gewicht verloren. De onderzoekers vermoeden dat de hoeveelheid vet in het pancreas, het orgaan dat insuline produceert, een rol speelt in het al dan niet verschijnen van diabetes en dat die vetdrempel voor iedereen verschillend is. Iets wat verder onderzocht moet worden.

Conclusie

Diabetes type 2 wordt vaak geassocieerd met overgewicht en het is bekend dat vermageren een gunstig effect heeft op de ontregelde suikerhuishouding. Deze studie suggereert dat je zelfs helemaal kan genezen wanneer je drastisch vermagert door een crashdieet, gevolgd door gezonde voedingsgewoonten zonder excessen. Wie dat wil proberen, bespreekt dit best eerst met zijn huisarts.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/Could-a-very-low-calorie-diet-cure-type-2-diabetes.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 23/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst