Categorie archief: overige

Kan het geheugen bij alzheimerdementie teruggehaald worden?

foto bij artikel Kan het geheugen bij alzheimerdementie teruggehaald worden?

In het nieuws

Amerikaanse wetenschappers zijn erin geslaagd verloren gegane herinneringen bij muizen met beginnende Alzheimer weer tot leven te wekken.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Amerikaanse onderzoekers wilden weten hoe geheugenverlies bij beginnende ziekte van Alzheimer precies werkt. Daartoe zetten ze een reeks experimenten op met zogenaamde alzheimermuizen: dit zijn genetisch gemanipuleerde proefmuizen die gelijkaardige symptomen ontwikkelen als mensen met de ziekte van Alzheimer (1). Deze muisjes verliezen hun langetermijngeheugen (24 uur) en behouden het kortetermijngeheugen (1 uur). Bij één van de experimenten kregen proefmuizen elektrische schokken via hun pootjes terwijl ze in een kooi zaten met een specifieke vorm, kleur en geur. Muisjes in gevaar houden zich schijndood. Wanneer normale proefmuizen een dag later opnieuw in dezelfde kooi gezet worden, gaan ze zich meteen schijndood gedragen: een gekende schrikreactie, want ze herinneren zich het voorval van een dag eerder. De alzheimermuisjes doen dat niet, omdat ze het voorval vergeten zijn.

De onderzoekers stimuleerden de geheugenzone in de hersenen van de alzheimermuisjes met blauw licht. Vervolgens werden ze een dag later opnieuw in de kooi gezet. Na ‘behandeling’ met blauw licht vertoonden ze wel een schrikreactie. De onderzoekers dissecteerden de hersenen van de muizen en stelden vast dat de breincellen, verantwoordelijk voor het geheugen, door het blauw licht nieuwe uitlopers gekregen hadden. Dat zou de reden kunnen zijn waarom hun langetermijngeheugen zich opnieuw hersteld had.

De onderzoekers besluiten dat het geheugen bij alzheimerdementie waarschijnlijk niet weg is, maar dat het niet meer kan geraadpleegd worden, omdat de communicatie tussen hersencellen mank loopt.

Bron

(1) Roy DJS, Arons A, Mitchell TI, et al. Memory retrieval by activating engram cells in mouse models of early Alzheimer’s disease. Nature. Published online March 16 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Het gaat om een reeks dierexperimenten, waarvan de resultaten niet zomaar opgaan voor de mens. Overigens kan je dergelijke experimenten niet testen bij mensen. Toch zijn de resultaten intrigerend. Tot nog toe werd aangenomen dat herinneringen bij de ziekte van Alzheimer gewist werden (zoals op een harde schijf), maar het zou dus kunnen dat de herinneringen er nog zijn, maar niet meer kunnen opgediept worden door een manke communicatie tussen hersencellen van het geheugencentrum. Dit werpt nieuw licht op de ziekte en creëert nieuwe hoop.

Bij deze experimenten werden enkel muisjes gebruikt met beginnende dementie-achtige verschijnselen, nog voor er abnormale veranderingen zichtbaar worden in het brein. Stel dat de experimenten uitzicht geven op een therapie, dan zou die moeten toegepast worden nog voor er duidelijk sprake is van de ziekte van Alzheimer, wat een bijkomend obstakel is.

Conclusie

Uit een reeks dierexperimenten blijkt dat geheugenstoornissen bij genetisch gemanipuleerde muisjes die dementie-achtige verschijnselen vertonen, tijdelijk ongedaan kunnen gemaakt worden door de betrokken hersenzone met blauw licht te stimuleren. De geheugencellen in het brein van deze muisjes gingen groeien en hun geheugen kwam min of meer terug. Een boeiende vondst, maar nog veraf van het menselijke brein.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/Memories-taken-by-Alzheimers-could-possibly-be-retrieved.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 21/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst
Advertenties

Verkort autisme het leven?

foto bij artikel Verkort autisme het leven?

In het nieuws

Mensen met autisme sterven gemiddeld achttien jaar vroeger. Zelfmoord is de voornaamste doodsoorzaak. Dat meldden Zweedse onderzoekers.

Waar komt dit nieuws vandaan?

In Zweden zouden mensen met autisme en autisme spectrumstoornis (ASS) slechts gemiddeld 54 jaar worden. Dat shockerende cijfer is afkomstig van een onderzoek gevoerd aan het Zweedse Karolinski Instituut (1). De auteurs namen alle dossiers van 27.122 Zweden die tussen 1987 en 2009 de diagnose ASS kregen onder de loep en vergeleek ieder dossier met dossiers van vergelijkbare personen, qua leeftijd, geslacht en afkomst, in Zweden, maar zonder ASS. Ze gingen na hoeveel mensen overleden waren in de bestudeerde periode en aan welke doodsoorzaken. De autismegroep werd verder onderverdeeld in ASS met normale intelligentie, ASS met een hoog IQ (Aspergersyndroom) en ASS met ontwikkelingsstoornissen als gevolg van een laag IQ. De eerste vaststelling was dat mensen met ASS vroeger overleden dan mensen zonder ASS: voor de mensen in de studieperiode bedroeg de gemiddeld leeftijd 54 jaar in vergelijking met 70 jaar in de controlegroep. Ongesplitst naar categorie en geslacht, vonden de onderzoekers volgende associaties: ASS-personen met een laag IQ lopen 5 keer meer risico op vroegtijdig overlijden en ASS-personen met een hoog IQ (Asperger) dubbel zoveel risico. Voor vrouwen met ASS en laag IQ zijn de cijfers het minst gunstig: ze lopen 8 keer meer risico op vroegtijdig overlijden. Twee doodsoorzaken vallen extra op bij mensen met autisme: zelfdoding en epilepsie. Mensen met ASS lopen 7,5 keer meer risico op zelfdoding, vooral in de groep met de hoogste intelligentie (Asperger). Eigenaardig genoeg liepen vrouwen met ASS meer risico op zelfdoding dan mannen met ASS. In de normale bevolking is dit omgekeerd. Mensen met ASS lopen 7,5 keer meer risico te overlijden door epilepsie, vooral de groep met lage intelligentie.

Bron

(1) Hirvikoski T, Mittendorfer-Rutz E, Boman M, et al. Premature mortality in autism spectrum disorder. British Journal of Psychiatry. Published online March 1 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Deze cijfers zullen (ouders van) mensen met autisme en ASS ongetwijfeld afschrikken. Deze studie gaat over een weliswaar grote groep Zweden gedurende een afgelijnde periode (1987 tot 2009), maar kan niet zo maar veralgemeend worden. De studie bewijst ook niet dat autisme het leven verkort, want deze analyse laat niet toe uitspraken te doen over de aard van het verband. Toch is er duidelijk iets aan de hand, maar naar de verklaringen blijft het gissen. De onderzoekers schuiven enkele hypothesen naar voor: mensen met autisme zijn mogelijk vaker depressief, maar kunnen dat niet goed uiten, waardoor ze minder goed opgevangen en/of behandeld worden. De gezondheidszorg is niet vertrouwd met fysieke en mentale klachten van mensen met autisme, omdat ze deze mogelijk anders of zelfs niet uiten. Ze vragen daarom meer aandacht voor mensen met autisme. Verder onderzoek is aangewezen.

Conclusie

Deze studie kan niet bewijzen dat autisme het leven verkort, maar de spectaculaire cijfers vormen wel een wake-up call. Mensen met autisme zijn waarschijnlijk minder goed in het uiten van lichamelijke en mentale klachten die niets met hun autismestoornis te maken hebben, waardoor ze minder goed worden opgevangen en/of behandeld bij ziekte of problemen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/People-with-autism-are-dying-younger-warns-study.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 22/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Wat kun je verwachten van tandimplantaten?

foto bij artikel Wat kun je verwachten van tandimplantaten?

Door u gekozen

Tandimplantaten kunnen een oplossing zijn als je tanden hebt verloren of je kunstgebit gemakkelijk loskomt. Maar wat zijn tandimplantaten precies en wat komt er allemaal bij kijken?

Wat is hierover geweten?

Een tandimplantaat is een soort schroefje, meestal vervaardigd uit titanium, dat chirurgisch in het kaakbot wordt gebracht op de plek waar een tand ontbreekt. Dat gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving. Het duurt enkele maanden vooraleer het implantaat goed is vastgegroeid. In de tussenperiode wordt soms een voorlopige uitneembare prothese voorzien, zeker als de tanden vooraan vervangen worden. Op het implantaat wordt een verbindingsstukje aangebracht dat boven het kaakbot uitsteekt. Het dient als steun voor een kroon of kunsttand die op dit verbindingsstuk wordt vastgeschroefd of gecementeerd.

Wanneer meerdere tanden naast elkaar of zelfs een hele tandenrij moeten vervangen worden, dan plaatst men slechts enkele implantaten waarop een hele constructie met kunsttanden wordt aangebracht. In zo’n geval kan men kiezen tussen vastzittende tanden of een uitneembare klikprothese die via drukknoppen op de implantaten vastklikt. Deze laatste optie vergemakkelijkt het poetsen.

Om een implantaat te kunnen plaatsen, is echter voldoende kaakbot nodig: de bothoogte moet minimaal 10 tot 11 millimeter bedragen, al zijn er vandaag ook implantaten van 6 millimeter hoogte die het volgens de eerste studieresultaten ook goed doen.

Implantaten worden nog maar zo’n 40 jaar geplaatst; daarom is het vandaag moeilijk te zeggen of ze levenslang meegaan. Belangrijk zijn niet roken en een goede mondhygiëne. Cariës en ontstoken tandvlees zorgen voor broeihaarden van bacteriën in de mond die na verloop van tijd het kaakbot rond het implantaat kunnen aantasten, waardoor het kan loskomen.

Een implantaat kan je niet afstoten, omdat het uit titanium bestaat.

Tandimplantaten zijn duur. Zonder tussenkomst moet je rekenen op zo’n 2.000 euro per implantaatgedragen kroon. Een klikgebit heb je vanaf zo’n 6.500 euro. Informeer steeds bij je ziekenfonds of je aanspraak kan maken op gedeeltelijke terugbetaling. Aan 70-plussers met een tandenloze onderkaak worden ze bijvoorbeeld terugbetaald.

Bron

http://www.gezondheidenwetenschap.be/onderwerpen

Hoe kunnen we dit interpreteren?

Een tandimplantaat is een alternatief voor de klassieke brug die op eigen tanden steunt. Een klassieke brug bestaat uit een volle kunsttand en aangrenzende holle kunsttanden die als hoezen over de naburige tanden worden geschoven om het geheel vast te zetten. Die naburige tanden moeten flink worden afgeslepen en ook ontzenuwd, want een nadeel is. In geval van een implantaat blijven de naburige tanden gespaard.

Een vaste of uitklikbare tandprothese zit vast en past goed aan, in vergelijking met een kunstgebit. Bijkomend voordeel is het verhemelteplaatje bij een uitneembaar kunstgebit, dat in geval van een implantaat grotendeels ontbreekt. Zo’n verhemelteplaat kan soms hinderen.

Voor het plaatsen van een implantaat moet er voldoende botweefsel aanwezig zijn. Dat wordt steeds nagekeken via een radiologisch onderzoek (Cone Beam CT-scan). Bij een beperkt bottekort kunnen botopbouwtechnieken worden aangewend, waarbij eigen bot van elders wordt weggenomen of kunstbot wordt gebruikt om het kaakbottekort aan te vullen. Bij belangrijk bottekort ziet men daar liever van af.

Implantaten worden afgeraden bij mensen die ooit bestraald werden in het hoofd-halsgebied en bij diegenen die bisfosfonaten slikken, dit zijn medicijnen die worden voorgeschreven aan mensen met osteoporose.

Tandimplantaten worden in België hoofdzakelijk geplaatst door paradontologen, stomatologen of tandartsen met een bijkomende opleiding.

Conclusie

Tandimplantaten vormen een interessant alternatief voor een klassieke brug voor wie tanden mist. Voorwaarde is wel dat je over voldoende kaakbot beschikt. Nadeel is de kostprijs.

Referenties

‘Tandimplantaten voor dummies. Een gesprek met tandarts-paradontoloog Andy Temmerman, UZ Leuven.’ An Swerts, Bodytalk 99, 15 sept 2015

klokje bij datum van publicatie verschenen op 14/10/2015 | Cebam | geschreven door Marleen Finoulst

Halveren contacten met vrienden en familie het risico op depressie?

foto bij artikel Halveren contacten met vrienden en familie het risico op depressie?

In het nieuws

Vijftigplussers die minstens 3 keer per week vrienden of familie over de vloer krijgen, vallen maar half zo vaak ten prooi aan een depressie. Dat stellen Amerikaanse onderzoekers vast.

Waar komt dit nieuws vandaan?

De Amerikaanse onderzoekers baseren zich op uitgebreide enquêtes bij 11.065 vijftigplussers die bevraagd werden over hun contacten met vrienden en familie, de wijze (direct contact, via mail, telefonisch) en frequentie. Na twee jaar vulden diezelfde mensen depressieschalen in en werd nagekeken wie een depressie ontwikkeld had (1). Diegenen die minstens 3 keer per week face-to-face contacten met vrienden en familie hadden, liepen 6,5% risico om een depressie te ontwikkelen binnen de 2 jaar. Wie vrienden en familie slechts een paar keer per maand zag, liep 11,5% risico, ongeveer dubbel zoveel, op een depressie binnen diezelfde tijdsspanne. Telefooncontacten en uitwisselen van e-mails had geen invloed op het depressierisico. Contacten met vrienden bleken vooral belangrijk bij mensen tussen 50 en 70 jaar, terwijl contacten met de familie belangrijker waren bij 70-plussers. Een voorwaarde was wel dat de contacten harmonieus verliepen. Conflictueuze contacten met pakweg familie hadden een omgekeerd effect. De onderzoekers besloten dat in een tijd van online communicatie face-to-face contacten moeten aangemoedigd worden, omdat ze op oudere leeftijd mogelijk beschermen tegen depressie.

Bron

(1) Teo A et al. Does Mode of Contact with Different Types of Social Relationships Predict Depression in Older Adults? Journal of the American Geriatrics Society. Published online October 6 2015.

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De onderzoekers tonen niet aan dat weinig contacten met vrienden en familie een oorzaak kan zijn van depressie. Depressies hebben andere oorzaken, zoals persoonlijkheidskenmerken, familiale aanleg of dramatische levensgebeurtenissen. Dat vrienden en familie, op voorwaarde dat de contacten in een aangename sfeer verlopen, zouden kunnen beschermen tegen depressie, lijkt voor de hand te liggen. Ietwat verrassender is dat telefoongesprekken en e-mailen de echte contacten niet lijken te kunnen vervangen, toch niet wat de kans op depressie betreft.

Conclusie

Regelmatig contact met vrienden en familie doet mensen goed, op voorwaarde dat er geen ruzie gemaakt wordt. Of ze echt de kans op depressie halveren, valt uit deze studie niet af te leiden.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/10October/Pages/visits-with-family-and-friends-prevents-depression-in-older-people.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 08/10/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Doet Homer Simpson kinderen meer en ongezonder eten?

foto bij artikel Doet Homer Simpson kinderen meer en ongezonder eten?

In het nieuws

Kinderen die de avonturen van figuren als Homer Simpson volgen, eten meer en vooral ongezonder, zo stellen Amerikaanse psychologen vast.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Psychologen van de Universiteit van Colorado wilden weten of komische figuren met overgewicht en ongezonde eetgewoonten kinderen aanzetten tot meer en ongezonder eten. Dat onderzochten ze in drie experimenten waaraan 301 kinderen tussen 6 en 14 jaar deelnamen (1).

Aan het eerste experiment deden 60 kinderen van gemiddeld 12,9 jaar mee. Hen werd verteld dat de studie ging over het beoordelen van kleurplaten. De kinderen werden in groepjes ingedeeld en zagen plaatjes met stripfiguren met normaal gewicht of overgewicht. Daarna kregen ze koekjes aangeboden als beloning. De onderzoekers telden hoeveel koekjes de kinderen aten. De kinderen die naar dikke figuurtjes gekeken hadden, aten nadien dubbel zoveel koekjes.

Aan het tweede experiment deden 74 kinderen van gemiddeld 11,7 jaar mee. Ze werden in 3 groepjes ingedeeld en kregen cartoons te zien van ofwel stripfiguren met normaal gewicht, met overgewicht of beide (twee stripfiguren). Daarover kregen ze enkele vragen en nadien werd een koekjestrommel op tafel gezet als beloning. De kinderen die een cartoon bekeken hadden met een dik figuurtje of met een dik en dun figuurtje grabbelden duidelijk meer koekjes uit de trommel.

In het derde experiment, met 167 kinderen van gemiddeld 8,3 jaar, werd de gezondheidskennis van de kinderen getest aan de hand van vragen zoals bijvoorbeeld, wat is gezonder: buiten of binnen spelen, tv kijken of slapen, frisdrank of melk? Daarna kregen ze de plaatjes van figuren met overgewicht of normaal gewicht te zien. Opvallend was dat de kinderen die via de kennisvragen attent waren gemaakt op gezond gedrag, niet meer koekjes aten na het zien van dikke stripfiguren.

De psychologen concludeerden dat het zien van dikke stripfiguren kinderen aanzet tot meer en ongezonder eten, tenzij ze attent gemaakt werden op gezond gedrag.

Bron

(1) Campbell MC, et al. Kids, cartoons, and cookies: Stereotype priming effects on children’s food consumption. Journal of Consumer Psychology. Published June 17 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Kinderen zijn gevoelig voor gedrag van stripfiguren, zoals Homer Simpson. Wanneer die zich volpropt met donuts, zijn kleine kinderen nadien geneigd ook meer en ongezonder te eten. Of ze dat ook doen op andere momenten, kan deze studie niet aantonen. Hoe groot de impact is op de obesitasepidemie bij kinderen is moeilijk te zeggen. Enerzijds kan je die niet in de schoenen van ongezonde striphelden schuiven. Vroeger, toen obesitas veel minder aan de orde was, hadden we Obelix en Fred Flinstone die ook geen gezonde voorbeelden waren. Anderzijds mag hun invloed op het eetgedrag niet onderschat worden: alles helpt om ongezond eetgedrag terug te dringen.

Conclusie

Ongezond eetgedrag en overgewicht bij populaire figuurtjes beïnvloeden het eetgedrag van kleine kinderen: ze gaan zelf ook meer en ongezonder eten.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/07July/Pages/Homer-and-Peppa-Pig-linked-to-childhood-obesity.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 29/07/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Doet Homer Simpson kinderen meer en ongezonder eten?

foto bij artikel Doet Homer Simpson kinderen meer en ongezonder eten?

In het nieuws

Kinderen die de avonturen van figuren als Homer Simpson volgen, eten meer en vooral ongezonder, zo stellen Amerikaanse psychologen vast.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Psychologen van de Universiteit van Colorado wilden weten of komische figuren met overgewicht en ongezonde eetgewoonten kinderen aanzetten tot meer en ongezonder eten. Dat onderzochten ze in drie experimenten waaraan 301 kinderen tussen 6 en 14 jaar deelnamen (1).

Aan het eerste experiment deden 60 kinderen van gemiddeld 12,9 jaar mee. Hen werd verteld dat de studie ging over het beoordelen van kleurplaten. De kinderen werden in groepjes ingedeeld en zagen plaatjes met stripfiguren met normaal gewicht of overgewicht. Daarna kregen ze koekjes aangeboden als beloning. De onderzoekers telden hoeveel koekjes de kinderen aten. De kinderen die naar dikke figuurtjes gekeken hadden, aten nadien dubbel zoveel koekjes.

Aan het tweede experiment deden 74 kinderen van gemiddeld 11,7 jaar mee. Ze werden in 3 groepjes ingedeeld en kregen cartoons te zien van ofwel stripfiguren met normaal gewicht, met overgewicht of beide (twee stripfiguren). Daarover kregen ze enkele vragen en nadien werd een koekjestrommel op tafel gezet als beloning. De kinderen die een cartoon bekeken hadden met een dik figuurtje of met een dik en dun figuurtje grabbelden duidelijk meer koekjes uit de trommel.

In het derde experiment, met 167 kinderen van gemiddeld 8,3 jaar, werd de gezondheidskennis van de kinderen getest aan de hand van vragen zoals bijvoorbeeld, wat is gezonder: buiten of binnen spelen, tv kijken of slapen, frisdrank of melk? Daarna kregen ze de plaatjes van figuren met overgewicht of normaal gewicht te zien. Opvallend was dat de kinderen die via de kennisvragen attent waren gemaakt op gezond gedrag, niet meer koekjes aten na het zien van dikke stripfiguren.

De psychologen concludeerden dat het zien van dikke stripfiguren kinderen aanzet tot meer en ongezonder eten, tenzij ze attent gemaakt werden op gezond gedrag.

Bron

(1) Campbell MC, et al. Kids, cartoons, and cookies: Stereotype priming effects on children’s food consumption. Journal of Consumer Psychology. Published June 17 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

Kinderen zijn gevoelig voor gedrag van stripfiguren, zoals Homer Simpson. Wanneer die zich volpropt met donuts, zijn kleine kinderen nadien geneigd ook meer en ongezonder te eten. Of ze dat ook doen op andere momenten, kan deze studie niet aantonen. Hoe groot de impact is op de obesitasepidemie bij kinderen is moeilijk te zeggen. Enerzijds kan je die niet in de schoenen van ongezonde striphelden schuiven. Vroeger, toen obesitas veel minder aan de orde was, hadden we Obelix en Fred Flinstone die ook geen gezonde voorbeelden waren. Anderzijds mag hun invloed op het eetgedrag niet onderschat worden: alles helpt om ongezond eetgedrag terug te dringen.

Conclusie

Ongezond eetgedrag en overgewicht bij populaire figuurtjes beïnvloeden het eetgedrag van kleine kinderen: ze gaan zelf ook meer en ongezonder eten.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2015/07July/Pages/Homer-and-Peppa-Pig-linked-to-childhood-obesity.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 29/07/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Is een hittegolf gevaarlijk?

foto bij artikel Is een hittegolf gevaarlijk?

In het nieuws

De eerste hittegolf van 2015 is op komst: deze week wordt het bloedheet met temperaturen die vanaf woensdag de dertig graden overschrijden. Als dit weer enkele dagen aanhoudt, wordt het gevaarlijk.

Waar komt dit nieuws vandaan?

In periodes van grote hitte stijgt het sterftecijfer. In 2003 werd Europa door een langdurige hittegolf geteisterd, wat naar schatting 30.000 extra overlijdens met zich meebracht. In België werd dat jaar een actieplan ‘hittegolf en ozon’ uitgewerkt, met folders, informatie en tips voor risicogroepen, die u allemaal gratis kan consulteren op de website van de Vlaamse Overheid (1). Deze week is Zorg en Gezondheid gestart met waarschuwingen in de media.

Extreme warmte wordt problematisch voor de gezondheid wanneer gedurende minstens twee opeenvolgende dagen de dagtemperatuur gemiddeld 30°C bedraagt en de nachttemperatuur gemiddeld 18°C. Iedereen kan last krijgen, maar het meeste risico lopen baby’s en kleine kinderen, ouderen, mensen met ernstig overgewicht en chronisch en/of ernstig zieken. De belangrijkste risico’s van een hittegolf zijn uitdroging, oververhitting, uitputting en een zonneslag. Stijgt de lichaamstemperatuur tot 39°C en meer, dan kan dit wijzen op een hitteberoerte, een levensbedreigende situatie.

Meer informatie over de lichamelijke verschijnselen en wat je kan doen om ze te herkennen en vermijden, vind je in de patiëntenrichtlijn ‘acute hitteziekten’ (2).

Bron

(1) http://www.zorg-en-gezondheid.be/hittealarm/

Hoe kunnen we dit interpreteren?

Tijdens een hittegolf is het voor iedereen belangrijk om uit de zon te blijven en lichamelijke inspanningen te mijden, niet alleen voor risicogroepen. Op de warmste momenten blijf je best gewoon binnen, omwille van de hoge ozonpieken. Binnenlucht bevat minder ozon dan buitenlucht. Drink voldoende: liefst 1,5 liter frisse, niet-alcoholische dranken per dag. Eet lichte maaltijden. Verstuif water op je gezicht, neem een koele douche of een frisse duik in een zwembad. Sportactiviteiten doe je beter ’s ochtends vroeg of ’s avonds laat, of je stelt ze uit tot het wat koeler is. Het is een misverstand te denken dat je meer vet verbrandt wanneer je bij hoge temperaturen buiten sport: je verliest enkel meer vocht en riskeert uitdroging. Wil je toch trainen, dan kan dit ook binnen (vb. lopen op een loopband of fietsen op rollen). Buiten kleed je je licht en luchtig, draag je bij voorkeur een zonnebril en een hoofddeksel en gebruik je zonnecrème. Voel je je onwel worden in de zon, ga dan meteen naar binnen en drink wat.

Conclusie

Vertoeven in extreme temperaturen is voor niemand gezond. De risico’s zijn het grootst voor kleine kinderen, ouderen, mensen met overgewicht, chronisch zieken en die zware inspanningen leveren buiten. Lees de tips om problemen te vermijden.

Referenties

(2) http://www.gezondheidenwetenschap.be/richtlijnen/acute-hitteziekten

(3) http://www.nhs.uk/Livewell/Summerhealth/Pages/Heatwave.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 30/06/2015 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst