Categorie archief: patiënten richtlijnen

Kan talkpoeder eierstokkanker veroorzaken?

foto bij artikel Kan talkpoeder eierstokkanker veroorzaken?

In het nieuws

Farmaceutisch bedrijf Johnson & Johnson is in de Amerikaanse staat Missouri veroordeeld tot het betalen van een boete van 72 miljoen dollar schadevergoeding aan de familie van Jacqueline Fox die op 62-jarige leeftijd stierf aan eierstokkanker. Talkpoeder van J&J zou het risico op eierstokkanker vergroten.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Amerikaanse onderzoekers ondervroegen meer dan 2.000 vrouwen met eierstokkanker over hun gebruik van talkpoeder. Talkpoeder wordt soms vaginaal aangebracht bij jeuk, roodheid of schimmelinfecties. Eerder hebben studies gesuggereerd dat frequent vaginaal gebruik van talkpoeder het risico op eierstokkanker zou verhogen. Deze nieuwe Amerikaanse studie maakte gebruik van een grote groep proefpersonen, deelnemers uit de bekende nog steeds lopende opvolgstudie ‘Nurses’ Health Study’ met eierstokkanker, en vergeleek ze met een vergelijkbare controlegroep zonder eierstokkanker (1). Iedereen werd bevraagd over vaginaal talkgebruik (ook welke talk en hoe frequent die gebruikt werd), gebruik van hormoonsubstitutietherapie, talk- en condoomgebruik van de partner, gebruik van een pessarium (wordt met talkpoeder bewaard). Er werd rekening gehouden met diverse leefstijlfactoren. Uit de analyse van de verzamelde gegevens bleek dat frequent vaginaal talken het risico op eierstokkanker met 33% verhoogt. Premenopauzale vrouwen en postmenopauzale vrouwen die hormoonsubstitutietherapie gebruikten, in combinatie met frequente applicatie van talkpoeder, liepen daarbij het grootste risico.

Bron

(1)Cramer DW, Vitonis AF, KL Terry, et al. The association between talc use and ovarian cancer: a retrospective case-control study in two US states. Epidemiology. Published online December 17 2015

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De aard van de studie laat niet toe te besluiten dat het hier om een oorzakelijk verband zou gaan. Mogelijk spelen andere risicofactoren een rol. De groep met het grootste risico waren premenopauzale vrouwen die gedurende 24 jaar regelmatig vaginale talk gebruikt hadden: maar die groep was zo klein (41 vrouwen) dat het cijfer onbetrouwbaar wordt.

Toch is dit niet de eerste studie die een verband vindt tussen gebruik van talk en eierstokkanker. Talkpoeder staat in de lijst van mogelijke kankerverwekkende stoffen van het IARC (International Agency for Research on Cancer). De Amerikaanse kankervereniging raadt vrouwen af om vaginaal talkpoeder te gebruiken. Voor vaginale hygiëne volstaat een neutrale zeep. Het is niet uitgesloten dat talk via de vagina tot in de baarmoeder en eierstokken kan geraken, al blijft het een raadsel hoe dit poeder kanker zou kunnen veroorzaken.

Conclusie

Recent vond een Amerikaanse studie een verband tussen eierstokkanker en het vaginaal gebruik van talkpoeder. Dat de studie opnieuw in de media kwam, is het gevolg van een uitspraak van het Amerikaans gerechtshof: nabestaanden van een slachtoffer van eierstokkanker krijgen een schadevergoeding van het farmaceutisch bedrijf dat talkpoeder op de markt brengt. Al is tot op heden niet aangetoond dat talkpoeder eierstokkanker kan veroorzaken.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/Talc-and-ovarian-cancer-what-the-most-recent-evidence-shows.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 08/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst
Advertenties

Krijgen lastige patiënten vaker een verkeerde diagnose?

foto bij artikel Krijgen lastige patiënten vaker een verkeerde diagnose?

In het nieuws

Dokters zullen sneller een verkeerde diagnose stellen wanneer ze geconfronteerd worden met onbeleefde of agressieve patiënten. Dat blijkt uit onderzoek van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam.

Waar komt dit nieuws vandaan?

Het gaat hier om een experimentele studie waarbij 63 jonge huisartsen in het laatste jaar van hun opleiding boekjes kregen met scenario’s van patiënten en hun klachten, en op basis van deze beschrijvingen een diagnose moesten stellen (1). De onderzoekers wilden nagaan of de houding van de patiënt een invloed heeft op de accuraatheid van de diagnose. Er werden 6 situaties beschreven: 3 eenvoudige ziektebeelden en 3 complexe. De hypothetische patiënten waren ofwel neutraal, ofwel lastig: onbeleefd, agressief, de kennis van de arts in twijfel trekkend, zich hopeloos voordoend. De deelnemende dokters dienden de casussen te lezen en vervolgens drie taken uit te voeren: zo snel mogelijk een diagnose stellen, rustig de tijd nemen om een diagnose te stellen en argumenten aangeven waarom men tot die diagnose komt, en de houding van de patiënt een score toekennen (aangename patiënt of niet).

De analyse toont het volgende: de diagnose wordt vaker correct gesteld bij een eenvoudig medisch probleem, ook bij lastige patiënten. Wanneer men meer tijd neemt om tot de diagnose te komen en kan reflecteren over de klachten, komt men eveneens vaker tot een correcte diagnose. Echter, globaal is de kans op een foute diagnose groter bij lastige patiënten dan bij neutrale patiënten.

Bron

(1) Schmidt HG, van Gog T, Schuit SCE, et al. Do patients’ disruptive behaviours influence the accuracy of a doctor’s diagnosis? A randomised experiment. BMJ Quality & Safety. Published online March 7 2016

Hoe moeten we dit nieuws interpreteren?

De grote beperking van dit onderzoek is dat men geen uitspraken kan doen over hoe het er aan toe zou gaan in een reële dokterspraktijk. In reële situaties kan de arts bijvoorbeeld ook repliek geven bij een lastige patiënt. Een studie met simulatiepatiënten was dan ook realistischer geweest. Bovendien ging het hier enkel om jonge huisartsen. Mogelijk zijn oudere huisartsen al wat meer gewoon en worden hun diagnoses minder beïnvloed door vervelend gedrag van een patiënt.

De studie maakt wel duidelijk dat de dokter ook gevoelens heeft en dat lastige patiënten ongewild een invloed kunnen uitoefenen op het denken van hun arts. Het lastige gedrag in deze studie had overigens niets met assertiviteit te maken. Assertieve patiënten die kritische bedenkingen hebben bij de werkwijze van hun arts, kunnen dit ook op een beleefde manier uiten. Bijvoorbeeld: Is de behandeling die u voorstelt mijn enige optie, of zijn er nog alternatieven denkbaar? Of nog: Wat kan er gebeuren indien ik deze behandeling niet volg?

Conclusie

Deze Nederlandse studie, uitgevoerd bij jonge huisartsen uit Rotterdam, suggereert dat lastige patiënten een impact hebben op hun arts, mogelijk zelfs in die mate dat ze vaker tot een foute diagnose komen.

Referenties

http://www.nhs.uk/news/2016/03March/Pages/Pushy-or-rude-patients-more-likely-to-be-misdiagnosed.aspx

klokje bij datum van publicatie verschenen op 18/03/2016 | Cebam | bewerkt door Marleen Finoulst

Atopisch eczeem bij kinderen

Wat is het?

Atopisch eczeem (of nog atopische dermatitis of constitutioneel eczeem) is een aandoening die wordt gekenmerkt door een langdurige en jeukende ontsteking van de huid. De ziekte is op- en afgaand: periodes met veel last, afgewisseld met periodes waarin de huid ‘rustig’ is. Atopisch eczeem verbetert met het ouderworden. Voedselallergie komt vaker voor bij kinderen met matige of ernstige vormen van atopisch eczeem.

Hoe kun je het herkennen?

Hoe atopisch eczeem eruitziet, verschilt naargelang de leeftijd van het kind.
Bij kinderen jonger dan 1 jaar onderscheiden we 2 vormen:
– Seborroïsch eczeem met schilfering van de hoofdhuid vanaf de eerste levensweken, eventueel gecombineerd met roodheid van de huidplooien;
– Nummulair eczeem begint meestal rond de leeftijd van 2 à 6 maanden, en kenmerkt zich door een korstige roodheid op de wangen, billen of ledematen.
Bij ongeveer de helft van de kinderen verdwijnt het eczeem vóór de leeftijd van 2 jaar. Bij de andere helft blijft de aandoening aanwezig, maar verplaatst zich naar de huidplooien (ellebogen, knieholten).
Een speciale eczeemvorm tast de handen en voetzolen aan. De symptomen zijn dan het ergst bij nat en koud weer.
Ook billen en binnenkant van de dijen kunnen aangetast worden, vooral bij meisjes. Dat begint meestal 1 tot 2 jaar vóór de schoolleeftijd en verdwijnt doorgaans in de puberteit.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

De arts kan de diagnose meestal zonder bijkomende onderzoeken stellen op basis van je klachten en een onderzoek van de huid. Allergietests (of huidpriktests) zijn alleen nodig wanneer wordt vermoed dat bepaalde factoren de aandoening verergeren. De arts zal je hiervoor doorverwijzen in volgende gevallen:
– je kind is jonger dan 1 jaar en heeft matige tot ernstige last van atopisch eczeem;
– het gaat om een ernstige vorm of opflakkering;
– de huid is aangetast vooral rond de mond, lippen of oogleden;
– de aandoening gaat gepaard met ademhalingsproblemen, maag- of darmlast.
Huidpriktests gebeuren in het ziekenhuis. Hiermee worden vooral voedselallergieën en enkele luchtwegallergieën opgespoord. Zijn allergietests niet mogelijk, dan worden er soms bloedtests gedaan.
Een dieet waarin bepaalde voedingsmiddelen worden weggelaten en geleidelijk terug ingevoerd kan soms helpen om voedselallergieën (granen of melk) op te sporen.

Wat kun je zelf doen?

Probeer te vermijden dat het kind zweet, want dat kan de jeuk verergeren. Was de huid 2 tot 7 keer per week in de douche met enkel lauw water. Dat berokkent geen schade. Is er een bijkomende huidinfectie, dan kunnen zeep of vloeibare wasmiddelen helpen om die infectie onder controle te krijgen.

Wat kan de arts doen?

De basis van de behandeling zijn cortisonecrèmes en -zalven. Cortisonepreparaten bestaan in verschillende sterktes. Welk soort preparaat hangt af van de leeftijd en de ernst van de aandoening. Bij kinderen jonger dan 2 jaar zal de arts minder krachtige cortisonepreparaten kiezen dan bij oudere kinderen. Tussen de cortisonebehandelingen door, worden vochtinbrengende crèmes gebruikt. Hebben de cortisonepreparaten onvoldoende effect, dan zal de huisarts je naar een dermatoloog (huidarts) verwijzen.
Bij matige of ernstige vormen kan de dermatoloog opteren voor een crème met immunomodulerende werking, m.a.w. een crème die de positieve elementen van het afweersysteem stimuleert en de negatieve elementen afremt. Tijdens deze behandeling vermijd je blootstelling van de huid aan zonlicht.
Fototherapie (lichttherapie) kan bij ernstige gevallen een behandeloptie zijn.
Voedingssupplementen geven doorgaans geen verbetering van de klachten.

Meer weten?

Patiëntenfolder atopisch eczeem UZ Gent:
http://www.uzgent.be/nl/home/Lists/PDFs%20patienteninformatiefolders/PIB_Atopisch_eczeem.pdf
Het eczeemboekje voor kinderen, een handig hulpmiddel voor jonge patiëntjes:
http://www.uzleuven.be/sites/default/files/brochures/het%20eczeemboekje.pdf
http://www.cm.be/ziekte-en-behandeling/klachten-en-ziekten/atopisch-eczeem/index.jsp

Bronnen

www.ebmpracticenet.be

verschenen op 13/08/2015

Arbeid en bevalling

Wat is het?

De arbeid is de periode voor de bevalling waarbij het lichaam van de vrouw zich voorbereidt op het uitdrijven van de baby en de placenta of moederkoek. Typisch voor de arbeid zijn de contracties of weeën.

Hoe verloopt de arbeid?

Net voor de start van de arbeid laat de (vaak bloederige) slijmprop van de baarmoederhals los (meestal in de week voor de bevalling).
De arbeid zelf verloopt in drie fasen:
– tijdens de eerste fase worden de weeën regelmatig, en ontsluit de baarmoederhals zich tot een opening van 10 cm. Het hoofdje (of de billen bij een stuitligging) van de baby daalt dan stilaan af in het bekken. Bij een eerste bevalling kan deze fase 7 tot 9 uur duren, bij een volgende bevalling is die doorgaans korter. In de loop van deze fase breken de vliezen meestal spontaan.
– de tweede fase beslaat de periode tussen de volledige ontsluiting van de baarmoederhals en de geboorte van de baby (actieve fase). Van zodra het kindje in het geboortekanaal is gezakt, voelt de moeder de drang om te persen. Duurt deze fase langer dan 1,5 uur, dan kan de moeder uitgeput geraken. In dat geval worden hulpmiddelen ingezet, zoals een zuignap.
– tijdens de derde fase worden de moederkoek en de vliezen die rond de baby zaten, spontaan afgedreven. Gebeurt dit niet binnen het uur na de bevalling, dan worden ze manueel verwijderd.
In de meeste gevallen gebeurt een spontane vaginale bevalling onder begeleiding van een arts of vroedvrouw. Bij meer dan 90% van de vrouwen die voor het eerst bevallen, is in de eerste fase van de arbeid pijnstilling nodig.
Minder vaak gebruikt men bij de bevalling een vacuümpompje (6%) of een verlostang (0,1%), bvb bij een stuitligging (1%). In 16% van de gevallen wordt een keizersnede uitgevoerd. Bij de helft ervan gaat het om een geplande keizersnede, bij de overige helft gebeurt dat omwille van onvoorziene complicaties.

Wanneer weet je wanneer je in arbeid bent?

Naar het einde van je zwangerschap toe voel je voorbijgaande contracties, die soms enkele uren kunnen aanhouden (Braxton-Hickscontracties of oefenweeën). Deze contracties betekenen niet noodzakelijk dat de arbeid is begonnen. De arbeid herken je aan het frequenter en geleidelijk aan krachtiger worden van de weeën. Ze duren dan bijvoorbeeld 40-60 seconden en komen om de 10 minuten. De arbeid begint dus wanneer je met regelmatige tussenpozen weeën krijgt. Het breken van de vliezen is eveneens een signaal dat de arbeid gaat beginnen. In dat geval wordt de moeder opgenomen in de kraamkliniek.

Hoe wordt de arbeid opgevolgd?

Tijdens de arbeid worden de harttonen van de foetus opgevolgd via een foetale stethoscoop, een Doppler-echografiesonde of cardiotocografie. Bij cardiotocografie worden het hartje van de foetus en de contracties van de baarmoeder via de buik van de moeder gemonitord. In zeldzame gevallen gebeurt de monitoring via een elektrode op de hoofdhuid of stuit van de foetus (STAN-monitoring).

Wat kun je zelf doen?

Het belangrijkste is dat je weet wanneer je best naar de kraamkliniek gaat:
– wanneer de weeën regelmatig en heviger worden,
– als je plots veel vocht of helderrood bloed verliest,
– wanneer je kindje minder beweegt,
– wanneer je om een andere reden ongerust bent.
Om tijdens de bevalling de pijn de baas te zijn, is het belangrijk om te ontspannen. Dat kan bvb. door verschillende houdingen aan te nemen, door massage of relaxerende muziek.

Wat kan de arts doen?

De arts zal de arbeid inleiden als je bvb. overtijd bent of in geval van bepaalde complicaties (bij foetus of moeder). Een bevalling die niet vordert kan worden versneld met een zuignap (vacuümextractie) of een speciale bevallingstang (forceps).
In 52% van de bevallingen wordt een knipje gegeven, maar dat is in feite niet noodzakelijk.
Bij een stuitligging zal de arts in de 35e tot 36e zwangerschapsweek trachten om de baby uitwendig te keren, maar dat lukt niet altijd. Bij een stuitligging wordt een spontane arbeid wel geprobeerd, maar onder toezicht van ervaren professionelen.
Bij een tweelingbevalling ondersteunt men zo veel mogelijk het natuurlijke verloop, maar vaak krijgt de moeder na de bevalling van het eerste kindje weeënopwekkers om de weeën te versterken. Soms wordt het tweede kindje geboren via een spoedkeizersnede.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be
www.uzleuven.be
www.vlov.be

verschenen op 05/06/2015

Blauwe plekken

Wat is het?

Een blauwe plek is een zichtbare bloeduitstorting op de huid. Er zijn verschillende soorten:
– De gewone blauwe plek noemt men een ecchymose, en komt het meest voor. Een ecchymose is een ronde of onregelmatige niet-verheven blauwe of paarse vlek op de huid. De meest frequente oorzaak is een klein trauma, bvb. met je been ergens tegenaan botsen.
– Petechiën zijn kleiner dan ecchymosen (1 tot max. 3 mm). Het zijn rode of paarse puntvormige huidverkleuringen die evenmin verheven zijn. Typisch is dat je ze niet kunt wegdrukken.
– Purpura zijn niet-wegdrukbare paars- of bruinrode verkleuringen van de huid, die vaak een symptoom zijn van een onderliggende ziekte van de bloedvaten of de bloedplaatjes.

Hoe vaak komt het voor?

De ‘gewone blauwe plek’ komt veruit het meest voor. Petechiën en purpura zijn vrij zeldzaam, maar vereisen vaak verder onderzoek. Daarom is het belangrijk om ze tijdig te herkennen.

Hoe kun je het herkennen?

Gewone blauwe plekken zijn vrij gemakkelijk te herkennen. Ze vereisen geen verder onderzoek als ze het gevolg zijn van een trauma of als ze een beperkte grootte hebben. Oudere mensen hebben doorgaans een broze huid. Een klein bloedvaatje kan makkelijk springen. Zo ontstaan bij hen vaak spontaan blauwe plekken op de armen en de rug van de handen.
Zie je plots zonder duidelijke oorzaak of heel vaak blauwe plekken op verschillende plaatsen op je lichaam, contacteer je best je huisarts.
Petechiën kunnen onschuldig zijn bij mensen met hart- of vaatproblemen. Ze komen dan voor op de benen, en worden doorgaans uitgelokt bvb. door lopen, warm weer, sauna. Is dat niet het geval, en heb je bijvoorbeeld ook koorts of andere symptomen, dan contacteer je best een arts.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?

De arts zal je vragen stellen over het ontstaan en verloop, en nagaan of er andere symptomen zijn zoals gewrichtslast, maag- of darmklachten, koorts, of er erfelijke ziekten in de familie voorkomen en of je recent medicatie hebt ingenomen…. Hij zal daarna de plekken bekijken, en eventueel beslissen om een bloed- en urineonderzoek te doen. De resultaten hiervan kunnen hem helpen om de juiste diagnose te vinden en om het risico op ernstige bloedingen in te schatten.
De meest voorkomende oorzaken van blauwe plekken bij kinderen zijn:
– ziekte van Henoch-Schönlein (auto-immuunziekte met typisch gewrichtspijn, maagdarmlast en bloed of eiwit in de urine);
– Ideopatische trombocytopenische purpura (auto-immuunziekte waarbij de bloedplaatjes aangetast worden);
– Infecties: meningitis;
– Kindermishandeling.
Bij volwassenen zijn blauwe plekken meestal het gevolg (naast kneuzingen) van medicatiegebruik (ontstekingsremmers, bloedverdunners, antidepressiva (SSRI’s) en omega-3-vetzuren).

Wat kun je zelf doen?

Als je vermoedt dat de oorzaak een recente inname van een geneesmiddel is, stop deze dan zo snel mogelijk. Bij verdachte blauwe plekken contacteer je best een arts voor eventuele onderzoeken en behandeling. Zeker bij een kind met koorts is een snelle interventie belangrijk.

Wat kan je arts doen?

Afhankelijk van de diagnose kan je arts zelf een behandeling instellen of je doorverwijzen naar een ziekenhuis, zoals bij vermoeden van meningitis of bij een te groot risico op ernstige bloedingen. Is de diagnose niet duidelijk, dan kan de arts je doorverwijzen voor verdere onderzoeken.

Bronnen

www.ebmpracticenet.be

verschenen op 24/07/2015

Wat is reuma?

foto bij artikel Wat is reuma?

Door u gekozen

Er heerst veel verwarring over reuma. Dat komt omdat de term te pas en te onpas gebruikt wordt om verschillende ziekten aan te duiden. Bovendien doen heel wat fabeltjes de ronde.

Wat is hierover geweten?

Reuma is een verzamelnaam voor ruim 200 verschillende ziekten. Alle ziekten en aandoeningen van de gewrichten, spieren, pezen, slijmbeurzen en het bot, kortom alle mankementen aan het bewegingsapparaat, vallen onder de noemer reuma. Sommige artsen gebruiken reuma alleen om min of meer ernstige gewrichtsontstekingen aan te duiden (reumatoïde artritis), andere artsen gebruiken het ook voor artrose. Artrose is namelijk ook een reumatische ziekte, soms wordt als synoniem ‘slijtagereuma’ gebruikt. Zelfs osteoporose en tenniselleboog zijn reumatische ziekten, al worden ze zelden zo gepercipieerd.

Naast de verwarrende terminologie bestaan er zeer veel misvattingen over reuma. Vooral over de relatie tot voeding. Zo geloven sommigen dat zure en zuursmakende voedingsmiddelen, zoals yoghurt en tomaten, reumatische ziekten doen verergeren, of zelfs doen ontstaan (jicht). Dat kon nooit bevestigd worden in onderzoek. Wat ook de ronde doet is het geloof dat bepaalde voedingsmiddelen het bloed ‘verzuren’, wat dan aanleiding zou geven tot ziekten als reuma of reumatische ziekten doen verergeren. Ook dat is een fabeltje. Ons bloed heeft een constante zuurtegraad of pH, tussen 7,35 en 7,45. Deze wordt op geen enkele wijze beïnvloed door wat we eten. Bloed dat echt verzuurt, kom enkel voor in geval van zeer ernstige, vaak terminale aandoeningen.

Bron

(1) http://www.gezondheidenwetenschap.be/onderwerpen

Hoe kunnen we dit interpreteren?

Vroeger maakte men nauwelijks onderscheid tussen aandoeningen van het bewegingsapparaat. Alles wat op dat vlak misliep, werd reuma genoemd. Vandaag weten we beter, maar de benaming reuma is voor al deze ziekten behouden. Reumatische aandoeningen worden in vier grote groepen ingedeeld, met een grote verscheidenheid aan ziektebeelden:

  • Ontstekingsreuma’s: bv. jicht, reumatoïde artritis, …
  • Slijtagereuma’s: bv. artrose, …
  • Wekedelenreuma’s (buiten de gewrichten): bv. ischias, tenniselleboog, …
  • Reuma’s van het skelet: bv. osteoporose, …

Bij een beginnende reumatische aandoening is het altijd belangrijk om zo snel mogelijk tot een correcte diagnose te komen. Soms kan men erger voorkomen door vroegtijdig en correct te behandelen. Aan zeer veel reumatische aandoeningen is wel degelijk iets te doen.

Voor meer informatie en details over reumatische aandoeningen, verwijzen we u graag naar de website van de Vlaamse Reumaliga (www.reumaliga.be).

Conclusie

Er bestaat veel verwarring over reuma, omdat de term voor zeer veel ziektebeelden van het bewegingsapparaat gebruikt wordt en niet door iedereen op dezelfde manier. Ook doen er tal van mythes en fabeltjes de ronde, vooral met betrekking tot voeding. Raadpleeg steeds een betrouwbare bron.

Referenties

www.reumaliga.be

klokje bij datum van publicatie verschenen op 30/10/2015 | Cebam | geschreven door Marleen Finoulst

De ziekte van Lyme (Lyme Borreliose)

Wat is het? 

Teken en bacteriën
De ziekte van Lyme of Lyme Borreliose is een infectie die veroorzaakt wordt door de Borrelia-bacterie. De meest voorkomende soort is de Borrelia Burgdorferi. In Europa komen er ook nog andere soorten voor. Deze bacteriën worden overgedragen via een beet van een teek.
De ziekte van Lyme kun je alleen oplopen wanneer je gebeten wordt door een besmette teek. Hoe langer een besmette teek aanwezig is op het lichaam, hoe groter de kans op een infectie. Maar niet lang alle teken zijn besmet met de Borrelia-bacterie.
Een teek is een spinachtig diertje dat zich voedt met bloed van mensen en dieren. Zonder bloed kan een teek zich niet ontwikkelen en zich evenmin voortplanten. Teken leven in struiken, op grassprieten en bomen. Zodra zich een geschikte gastheer aandient, laten ze zich vallen en bijten ze zich vast in de huid. Ze verplaatsen zich meestal tot ze het meest geschikte plekje op het lichaam gevonden hebben. Dat is bij mensen vaak in de huidplooien (zoals de liezen). Ze kunnen zich ook vastbijten ter hoogte van de armen, benen en behaarde hoofdhuid.
Teken komen wereldwijd voor. Ook in België leven er een aantal soorten. Slechts enkele brengen ziektekiemen zoals Borrelia Burgdorferi over. Deze soorten zijn voornamelijk actief van begin maart tot eind oktober.

Verloop van de ziekte van Lyme
De ziekte van Lyme verloopt in verschillende fasen. De eerste fase (of vroege fase) wordt gekenmerkt door een huidletsel. Enkele dagen of zelfs enkele weken na een tekenbeet verschijnt er een typische huiduitslag rond het letsel. De huiduitslag is niet pijnlijk. In bepaalde gevallen kan ze wel lichte jeuk of een brandend gevoel geven. Tijdens de eerste dagen kan de zone rond het letsel volledig rood zijn. Typisch is dat de roodheid uitbreidt naar buiten toe, waarbij de kern van de huiduitslag opklaart en opnieuw de huidskleur krijgt. De huiduitslag kan zeer uitgebreid zijn, tot een diameter van meer dan 20 centimeter. Deze huiduitslag wordt vaak verward met de rode uitslag rond de beet, veroorzaakt door het speeksel van de teek. Die verdwijnt doorgaans binnen enkele dagen. De roodheid van de huiduitslag na de beet van een besmette teek kan weken, en zelfs tot een maand of langer, aanhouden. Huiduitslag met een diameter van minstens 5 cm rond de plaats van een tekenbeet wijst zeer waarschijnlijk op de ziekte van Lyme.
Tijdens deze vroege fase kunnen er griepachtige klachten optreden, zoals vermoeidheid, algemeen ziektegevoel of lichte koorts. Het is ook mogelijk dat er geen huiduitslag is of althans niet wordt opgemerkt, zelfs bij een actieve Borrelia-infectie. Een ‘zomergriepje’ kan dan wijzen op een Borrelia-infectie. Als deze infectie niet tijdig wordt opgemerkt, kan de ziekte zich verder in het lichaam verspreiden. Andere klachten kunnen dan optreden, zoals hartklachten, gewrichtspijnen, oogproblemen, zenuwpijnen, tot zelfs verlammingen en hersenvliesontsteking.

Hoe vaak komt het voor? 

Hoe vaak de ziekte van Lyme voorkomt, verschilt zeer sterk van land tot land, en zelfs van regio tot regio. In gebieden waar behoorlijk wat teken leven, kunnen er jaarlijks tot 1500 per 100 000 mensen de ziekte van Lyme oplopen.

Hoe kun je het herkennen? 

Het is belangrijk te weten dat symptomen soms dagen tot weken na een tekenbeet optreden. Zie je op de plaats van de tekenbeet een rode huiduitslag die binnen enkele dagen groter wordt en/of voel je je grieperig enkele dagen na een tekenbeet, dan is het mogelijk dat je de ziekte van Lyme hebt.

Wat kun je zelf doen? 

Preventie
Preventie van tekenbeten is de belangrijkste maatregel. Indien je gaat wandelen in een bos- of grasrijke omgeving, informeer je dan eerst of er veel teken voorkomen. Gebruik bij voorkeur het midden van het voetpad (het meest platgetreden deel) bij het lopen op een vochtig en grasrijk terrein. Draag een lange broek, liefst een licht gekleurde om teken beter te kunnen zien. Je kunt je broekspijpen in de sokken steken om je benen beter af te dekken. Laat kinderen een pet dragen. Je kunt je benen insmeren met insectenafwerende stoffen zoals bijvoorbeeld DEET (let hierbij wel op de verschillende dosissen voor volwassenen en kinderen!).

Gebeten door een teek?
Ben je gebeten door een teek, dan kun je die gerust zelf verwijderen als je volgende regels in acht neemt:
– Inspecteer na het wandelen goed je oksels, liezen en hoofdhuid. Laat je hierbij desnoods helpen. Het is belangrijk te onthouden dat een teek moet worden verwijderd op de eerste dag.
– Teken verwijder je het best met een speciale tekentang. Die kun je kopen bij de apotheek.
– Heb je geen tekentang in de buurt, dan kun je proberen de teek met de vingers te verwijderen.
– Probeer bij het verwijderen de teek zo dicht mogelijk tegen je huid bij de kop vast te houden; knijp niet in het achterlichaam.
– Na het verwijderen van de teek ontsmet je de huid best met een povidonjoodoplossing of met alcohol en noteer je de dag van de beet.
Contacteer zeker je arts wanneer de teek langer dan 24 u op je huid vastzat. Doe dat ook wanneer je een rode, toenemende huiduitslag ziet op de plaats van een tekenbeet.

Hoe stelt je arts de diagnose? 

Je arts zal je vragen stellen en je onderzoeken. Op basis hiervan kan hij inschatten of je mogelijk de ziekte van Lyme hebt. Hij kan je ook helpen om de teek te verwijderen als het zelf niet lukt.
Men kan in het bloed zien of je de ziekte van Lyme hebt. Maar niet tijdens of net na een beet. Het duurt immers een tijdje vooraleer er Borrelia-antistoffen in het bloed verschijnen. Het kan dus zijn dat je arts je vraagt om na een tweetal weken terug te komen voor een bloedonderzoek.

Wat kan je arts doen? 

Een tekenbeet zonder het typische rode huidletsel hoeft niet behandeld te worden. Bij vermoeden van de ziekte van Lyme kan de arts antibiotica voorschrijven. Meestal is dit dan voor een lange periode van twee tot drie weken. Zwangere vrouwen krijgen doorgaans sneller antibiotica, meestal in samenspraak met de gynaecoloog.

Bronnen 

www.ebmpracticenet.be
www.zorg-en-gezondheid.be/folder Teken
www.thuisarts.nl
www.tekenradar.nl
LCI richtlijn Lymeziekte